Foto Frank Ruiter

Marcel van Roosmalens moeder: ‘Marcel is in z’n voordeel veranderd’

Lunchinterview Marcel van Roosmalen (51) en zijn moeder Paula (87) bespreken het boek dat hij over haar schreef . „Ik vind het toch wel therapeutisch, zo samen praten.”

‘Ze slaapt.” Marcel van Roosmalen (51) leunt tegen de deuropening van het ouderlijk huis in Velp-Zuid, waar zijn moeder alleen woont sinds zijn vader zes jaar geleden overleed. Het is twee uur ’s middags en in haar huis is alles precies zoals hij het in zijn NRC-columns beschrijft. Perzisch kleedje op de eettafel, rondslingerende, handgeschreven briefjes met daarop stukjes geheugen, de hangklok die nét te hard tikt. „Ik ga haar wakker maken”, zegt hij en holt de trap op naar boven.

Nu de boekenweek in het teken staat van ‘De moeder de vrouw’, en Marcel van Roosmalen rond dat thema het een en ander heeft geschreven, besloot hij zijn columns over zijn moeder – ‘werkstukjes’ noemt zij die – te bundelen tot een boek, Het zijn de kleine dingen die het doen. Over dat boek, en wat zij daarvan vindt, zullen we het straks hebben. „Mijn moeder is best kritisch op me”, heeft hij beloofd. Hij is alweer beneden, we wachten nu samen op haar komst. Stommel, stommel, doortrekkende wc, voorzichtige stappen op de trap. Paula van Roosmalen is kleiner, tengerder dan ze op papier overkomt.

Marcel: „Doet je apparaat het?” „Ja hoor, jongen.” Hij, berustend: „Jij zegt het.” Ze vouwt een handdoek, legt die op de zitting van de bank en neemt plaats, priegelt ondertussen aan de knopjes van het hoortoestel in haar oren. „Mam, hoor je me nou?” „Wat zég je, jongen.” We verplaatsen naar de eettafel bij de keuken, dan zitten we dichter bij elkaar. Marcel zet thee. „Appeltaart?” Een klein stukje lust ze wel. Hij opent de servieskast in de zitkamer, zij behoedt hem vanaf haar zitplaats voor verwachte fouten. „Eén plank lager, dáárachter, nee, helemaal achteraan.” Hij mompelt dat hij zijn best doet te zien wat ze bedoelt, zij fluistert tegen mij dat zoeken in andermans kast een hele opgave is.

Gezellig, dat haar zoon er is? Ja, knikt ze. „Hij is altijd welkom, als ik het maar weet van tevoren.” Wel vervelend, zegt ze, dat haar gehoor zo achteruitgaat. „En als je gespannen bent, hoor je nóg minder.” Marcel zegt zeker te weten dat ze nu niet gespannen is. Zij: „Het gaat hard, ik loop nu tegen de 90.” Hij: „Je bent 87.” Zij: „Maar ik word 88.” Ze werkte vroeger als logopedist, zegt ze, bij Sint Marie in Eindhoven, een school voor doven en slechthorenden. „Als ik in die tijd had geweten hoe vervelend het is voor ánderen, dan had ik die kinderen nog beter begrepen.” Ze staat op, rommelt in een la, komt terug met een doosje nieuwe batterijen en doet die – opvallend handig – in haar apparaatjes. Marcel haalt hoorbaar adem. „De batterijen. Dát zal het zijn.”

Bepaalde vorm van humor

Wat vindt ze van Marcels boek over haar, vraag ik. „Ik heb er interesse in,” zegt ze. „Het is goed geschreven, hij heeft een goede stijl.” Ze aarzelt, Marcel heeft zich afgewend en trommelt met zijn vingers op tafel. „Het was wennen in het begin, maar een bepaalde vorm van humor zie ik er nu wel in.” Marcel onderbreekt haar. „Je mag het gewoon zeggen hè, wat je vindt.” Tegen mij: „Vroeger omcirkelde ze delen tekst in de krant en schreef er met potlood ‘wat een onzin’ bij.” Zij: „Niks ten nadele hoor. Ik ben trots op hem.” Hij, nu feller. „Kom op, je hebt je ervoor geschaamd.” Zij haalt haar schouders op: „Ik hoef niet per se lijdend voorwerp te zijn.” Maar, zegt ze afrondend, zijn stijl is altijd to the point.

Hij, weer tegen mij: „Mijn vader vond het helemaal verschrikkelijk. Op het eind mocht ik niks meer over hem schrijven, want dan kreeg hij weer last van brandend maagzuur. Het was helemaal geen maagzuur, de man had slokdarmkanker.” Zij: „Och, je vader was nou eenmaal ziek.” Hij: „Ja, maar het werd gebracht alsof het kwam doordat ik over hem schreef.” Na zijn vaders dood schreef Marcel dat ze hem in een kist van spaanplaat begroeven. „Dat vond jij stom. Dat mocht niet gezegd worden, dat vond jij ongepast.” Zij fluistert dat ze het hier nu niet over wil hebben, hij doet er nog een schepje bovenop. „Maar dat zijn grafsteen in China werd gemaakt omdat dat goedkoper is, dat mocht dan weer wel.”

Hij: ‘Ik heb er geen trauma van, zo is het ook weer niet’

Was met zijn vaders dood het voornaamste obstakel om over zijn moeder te schrijven geslecht? Hij: „Ik ga niet om toestemming vragen of zo. Je kunt zeggen dat ik haar voor het blok zet natuurlijk, tenzij het verzet dusdanig is…” Zij: „Er zijn wel mensen met kritiek, die vragen me of het nou zo nodig moet…” Hij onderbreekt haar: „Wie dan, mama, wie hebben er dan kritiek? En wat zéggen ze dan.” Zij, onverstoorbaar: „Als hij schrijft ‘zo doof als een kwartel’, nee dat vind ik niet leuk. Maar ik val hem niet af, hoor. Ik ben trots op hem.” Hij, net zo onverstoorbaar: „Ik geloof het gewoon niet, van die mensen met kritiek. Wie dan? Die buurvrouw van je soms?” Zij, nu bozig: „Marcel, nou moet je geen namen zitten verzinnen. Het is echt zo, jongen.”

Eén keer is hij zelf door een lezer van zijn columns aangesproken, een vrouw uit Velp die hem nog van vroeger kende. Zij vond de manier waarop hij over zijn moeder schrijft, grenzen aan ouderenmishandeling. Daar kijkt ze van op. „O ja?” Ze denkt na. „Waar ik ook achter ben gekomen, er is veel jaloezie. Sommigen kunnen het niet uitstaan dat Marcel het zo ver heeft gebracht.”

Altijd bang

Als Marcel het achtertuintje inloopt om even te bellen, grijpt zijn moeder de gelegenheid aan om te vertellen dat hij zo’n lieve, bezorgde vader is. Hij heeft, met collega-columnist Eva Hoeke , twee dochters (van 1 en 3). „Dat had z’n vader moeten zien. Daar zou hij van genoten hebben.” Marcels vader kwam uit een Brabants gezin met 17 kinderen. „Bij hen thuis waande je je in de Middeleeuwen,” zegt Marcel als hij weer aan tafel zit, en zijn moeder knikt instemmend. Zij is de op één na jongste uit een gezin van 9 en de enige die naar kostschool moest nadat haar ouderlijk huis was afgebrand en haar moeder maagkanker kreeg. „Vanuit het internaat zag ik onze boerderij liggen, ik kon de hond horen blaffen. Twee keer in de maand mocht ik naar huis. Een keer van twaalf tot half twee, en één zondag van twaalf tot vijf. En altijd was ik bang. Bang dat ik voor straf niet naar huis mocht.”

Mijn ouders, zegt Marcel, zijn samen vanuit Brabant naar Arnhem gekomen. Zijn vader werkte er op het provinciehuis. „Z’n leven lang is hij bang geweest zijn baan te verliezen. Ik schaamde me voor hem. Hij was een oude vader. Hij bepaalde mijn vakkenpakket op de middelbare school, hij liet me aan het eind van het schooljaar repen chocola uitdelen aan de docenten. Wie doet zoiets?”

Lees ook: Hoe Marcel van Roosmalen het doet als partner van Eva Hoeke en vader van (bijna) twee dochters

Zij: „Marcel kwam er al jong tegen in opstand.” Hij: „Het was burgerlijkheid troef. Ik begreep niet waarom de dingen niet gezegd mochten worden.” Zij: „Je hebt het niet gemakkelijk gehad.” Hij: „Jullie maakten je druk om wat de buren vonden. Toen ik mijn haar zwart had geverfd, hoefde ik echt niet op je verjaardag te komen.” Zij: „Ik stoorde me aan z’n uiterlijk, daar heeft hij gelijk in.” Hij: „En die familie van jou…” Zij: „Mijn broers trokken partij voor mij, tegen Marcel met z’n grote mond.” Hij: „Jij was, toen je nog full swing was, dictatoriaal. Je zei dingen om te kwetsen, dat riep agressie op en dan ging je buiten bij de schuur verongelijkt een Stuyvesant staan roken.” Zij: „Ik heb het toen niet begrepen, ik heb daarin gefaald.” Hij: „Ik heb er geen trauma van, zo is het ook weer niet.”

Marcel is inmiddels van tafel gelopen en zit op een stoel verderop, armen over elkaar. „Lekker plaatje zo. Zij kwetsbaar vrouwtje en ik die haar zit te corrigeren en voor haar zit te praten.” Tegen mij: „Als ik hier kom, zit ik meestal gewoon te zwijgen, hoor. Ik baal er ook van dat ik me erger.” Tegen z’n moeder: „Maar jij ergert je net zo goed.” Ze ontkent het niet. Hij: „Ik zie de wanhoop. Ik vind het zielig voor je dat je de laatste van de buren bent die nog over is, dat al je broers en zussen dood zijn, en papa.” Zij: „Ik worstel en kom boven.” Is ze eenzaam, vraag ik. Met klem: „Nee hoor.” Ze heeft zat contacten. Neven, nichten, vrienden en vriendinnen. Hij: „Wie komt hier dan? Ik zie hier nooit iemand.” Ze houdt vol van wel, om even later te vertellen over het „lege gevoel” dat ze niemand meer heeft om tegen te praten. Eenzaam vindt ze zo’n vervelend woord.

Zij: ‘Ik worstel en kom boven’

„Ik was pas bij de vaatchirurg,” zegt ze. Marcels zus Constance was met haar mee, hij schreef er een column over. „Vasculaire dementie. Het kan hard gaan nu.” Maar, zegt ze, ze is van plan te blijven zitten waar ze zit, de zorgmanager die hier laatst was, heeft daarvoor z’n fiat gegeven. Hij: „Stuitend, dat zo’n hulpverlener loopt te bepalen of jij hier al of niet mag blijven wonen. En jij laat je overrulen door die gasten.” Zij: „Een ander merkt mijn fouten niet op zoals Marcel dat doet.” Hij: „Ik vind het toch wel therapeutisch, zo samen praten.” Zij: „Hij is in zijn voordeel veranderd.” Hij: „Jij ook.” Zij, tegen mij: „Niet te diep graven, dan komen er steentjes boven. Daar praten we niet over, dat wordt me te privé. Ik hoef geen gemeengoed te worden.” Hij, toch weer wrevelig. „Dat bén je al, mama. Dat heb ik allang van je gemaakt.”