Boven: Jan Ott tijdens zijn laatste avond als kroegbaas van café De Kletskop aan de Zeedijk in Amsterdam. Onder: politieactie met arrestaties op de Zeedijk, 1978. Het beruchte café Emile’s Place (links), werd later De Kletskop.

Foto Olivier Middendorp Foto ANP

De pionier van de Zeedijk stopt ermee

Zeedijk Hij was de eerste kroegbaas die het aandurfde op de schoongeveegde Zeedijk, eind jaren tachtig. Nu gaat Jan Ott van café De Kletskop met pensioen.

Als je bedenkt hoe de Zeedijk er midden jaren tachtig bij lag, is het eigenlijk een raadsel waarom Jan Ott er een café wilde beginnen. Heroïnedealers en uitgemergelde junks bevolkten de straathoeken, met hun naalden en zilverpapiertjes. Zeker de helft van de panden was dichtgetimmerd. Postbodes en meteropnemers weigerden het gebied te betreden, buurtbewoners wierpen uit protest tegen de verloedering een barricade op van brandende autobanden. „Als je op de Zeedijk beroofd werd”, zegt Ott, „en je ging aangifte doen bij de politie, dan kreeg je te horen: waarom ben je daar in godsnaam gaan lopen?”

Toch voelde Ott, slagerszoon uit het West-Friese plaatsje Hem, zich aangetrokken tot de Zeedijk. Hij vond het „een leuke, spannende buurt, juist omdat het aftands en ranzig was.” In 1988 opende Ott café De Kletskop op de Zeedijk nummer 10. Hij was de eerste ‘normale’ kroegbaas die het avontuur aandurfde. Na dertig jaar houdt hij er nu mee op. Ott (65) heeft zijn zaak verkocht: vorige week draaide hij zijn laatste bardienst als eigenaar van het café.

In die dertig jaar is de Zeedijk onherkenbaar veranderd. Van een no go area veranderde het in een levendige, veilige straat, vol cafés, winkeltjes en restaurants. Aangeharkt zal het er nooit worden, zo dicht bij de Wallen: je kunt er nog altijd terecht in ruige cafés als San Francisco. Maar ’s nachts in je eentje over de Zeedijk wandelen? Geen enkel probleem.

Jan Ott, tot voor kort kroegbaas van café De Kletskop. Foto Olivier Middendorp

En dat heeft de stad ook te danken aan Jan Ott, de pionier van de Zeedijk. Op een zonnige februarimiddag zit hij in het halfduister van zijn bijna ex-café. Over twee uur gaat De Kletskop open. Ott drinkt een alcoholvrij biertje en kijkt terug op drie decennia als kroegbaas aan ‘de dijk’.

Voor het uitkiezen

Het begon allemaal met een informatiekrantje, ergens in 1983. Ott, afgestudeerd sociaal geograaf, trok het van een touwtje in de tram. In het krantje deed de gemeente Amsterdam een oproep: welke startende ondernemer durfde het aan om straks een zaak te beginnen op de Zeedijk? Burgemeester Ed van Thijn had een grote schoonmaak aangekondigd: de junks eruit, gewone Amsterdammers erin. Tientallen panden zouden worden opgekocht en opgeknapt, en daarna te huur aangeboden aan bonafide winkeliers en horeca-uitbaters.

Ott reageerde en kon meteen langskomen op het stadhuis. „Daar kwam een plattegrond van de Zeedijk op tafel. ‘Waar wil je een café beginnen?’ vroeg de ambtenaar. Ik had het voor het uitkiezen.” Ott koos voor een hoekpand, nummer 10. Aan de kop van de dijk, vlakbij de Prins Hendrikkade. „Daar gingen ze een nieuw hotel bouwen. Dus ik dacht: dat is het beste gedeelte.”

De recente geschiedenis van het pand illustreerde hoe diep de Zeedijk in die jaren was gezakt. Op nummer 10 zat café Emile’s Place, de allerberuchtste zaak van de Zeedijk. Uitbater Emil zwichtte voor de verleidingen van de drugshandel. „Hij kreeg 100 gulden van de dealers als ze rustig hun klanten konden ontvangen in het café. Er werd kruk voor kruk gedeald.” In een ruimte onder de trap, waar nu de werkkast zit, was een kooi met twee bloeddorstige vechthonden. „Als Emil het even niet meer trok, zei hij: pas op, anders doe ik de kooi open.”

Politieactie met arrestaties op de Zeedijk, 1978. Het beruchte café Emile’s Place (links), werd later De Kletskop. Foto ANP

Bekende Amsterdammers

Ott moest nog vijf jaar wachten. Eerst moesten de junks en dealers weggejaagd worden naar de Bijlmer, de panden opgekocht en gerestaureerd. Op de kop van de Zeedijk verrees ondertussen het gloednieuwe Barbizon Palace Hotel, destijds een risicovolle investering. Met kerst 1988 was het zo ver: café De Kletskop kon zijn deuren openen.

Otts eerste jaren waren moeilijk. Het café bleef overeind dankzij het personeel van het Barbizon Palace, dat voor of na het werk een kopje koffie of een biertje kwam doen. Ook de agenten van bureau Warmoesstraat werden vaste klant. „Ze mochten van de leiding alleen bij mij een biertje drinken na het werk, een koosjer café.” Met de politie had Ott de informele afspraak dat er bij De Kletskop niet gehandhaafd werd op sluitingstijden. „De agenten zeiden: Jan, junks en licht zijn geen vrienden van elkaar. Als jij ’s nachts tot laat open blijft, vinden we dat alleen maar prima.”

De heroïnescene was vanaf dag één niet welkom in De Kletskop. Als dealers het café binnenkwamen, kregen ze meteen te horen dat het drugstijdperk voorbij was

De heroïnescene was vanaf dag één niet welkom in De Kletskop. Verslaafden die zich voor zijn zaak ophielden, stuurde Ott weg. „Die Surinaamse jongens zeiden allemaal: geen probleem jongen, dat begrijpen we. Maar als er een Nederlandse junk bij stond, kreeg je een grote bek.” Als dealers het café binnenkwamen, kregen ze meteen te horen dat het drugstijdperk voorbij was. „Ze zetten even grote ogen op en dan waren ze weg. Ik heb nooit problemen gehad.”

Ott woonde in die jaren boven zijn café. Ondanks de schoonveegoperatie was het op de dijk nog steeds een behoorlijke gribuszooi – dus een extra paar ogen kon de gemeente wel gebruiken. Op een avond zag hij een groepje drugsverslaafden wegvluchten uit het aanpalende pand, dat nog leeg stond. „Er was vuur. Ik heb meteen de brandweer gebeld, die waren er binnen tien minuten. Ze zeiden: Jan, als jij niet gebeld had, was dit een rampzalige fik geworden.”

Lees ook De ouderwetse junk is bijna verdwenen

Het kantelpunt voor de Zeedijk kwam begin jaren negentig. De Olofskapel werd gerestaureerd, na decennialang een dichtgetimmerde ruïne te zijn geweest. Er kwamen steeds meer cafés en restaurants: De Haven van Texel, Verhoeff, In ’t Aepjen. De legendarische karaokebar Casablanca opende na jaren weer zijn deuren, later gevolgd door ’t Mandje – het oudste homocafé van Amsterdam. Amsterdammers en toeristen durfden eindelijk de dijk weer op.

Bij De Kletskop bouwde Jan Ott gestaag aan een vaste klantenkring. Buurtbewoners, werknemers uit omliggende horeca, oude kennissen uit West-Friesland die een dagje Amsterdam deden. „Iedereen wist: Jantje heeft een café op de Zeedijk.”

Bekende Amsterdammers kwamen er ook. Majoor Bosshardt van het Leger des Heils, een krant onder de arm, en later ook heilsoldate Tante Jans. PvdA-politica Annemarie Grewel. Acteurs als Rijk de Gooijer en Peer Mascini („Die komt nog steeds, hij woont om de hoek”). En natuurlijk Ramses Shaffy, de beroemdste cafétijger van Amsterdam. „Kwam ie ’s nachts binnenwandelen, even een afzakkertje doen en lekker op de piano spelen.”

Met weemoed denkt Ott terug aan de café chantants die hij vanaf midden jaren negentig organiseerde. De orkestleider uit theater De Engelenbak nam iedere twee weken de leukste artiesten uit de Open Bak mee naar De Kletskop, waar tot diep in de nacht gemusiceerd werd. In 1997 was er een cabaretmarathon: 48 uur achtereen muziek en cabaret, met een paar uurtjes ’s nachts om de boel op te ruimen. Bram Vermeulen trad op, Brigitte Kaandorp, de jongens van Niet Uit Het Raam. Thijs van Leer speelde op zijn fluit. Ze deden het allemaal voor nop. „De mensen stond in de steeg op elkaars schouders om te kijken wie er optraden.”

Stamgast Dick lag opgebaard op de stamtafel. ‘Dick had zwart op wit laten zetten dat er ontzettend veel gedronken moest worden’

Een andere legendarische episode was het afscheid van stamgast Dick. Hij overleed aan AIDS – en zijn laatste wens was om opgebaard te worden in De Kletskop. „Dus stond zijn kist op een maandagochtend om elf uur op de stamtafel. Alle vaste klanten waren er, en de andere caféhouders op de Zeedijk. Dick had zwart op wit laten zetten dat er ontzettend veel gedronken moest worden.”

Rond een uur of twee ’s middags waren de meeste aanwezigen straalbezopen. Toen moest Dick naar buiten worden getild: zijn kist werd per rondvaarboot naar begraafplaats Zorgvlied vervoerd. „Ze moesten de trap af hier in de steeg, richting de Oudezijds Voorburgwal. Ze konden de kist bijna niet meer houden. Serieus, het scheelde maar een haartje of Dick was, hup, zo het water ingegleden. Het was echt een Monty Python-achtige toestand.”

Rookverbod

Moeilijke tijden heeft Ott eigenlijk nooit gehad in De Kletskop. Ja, het was wel eens een jaartje wat rustiger, maar het café is nooit in gevaar geweest – zelfs niet bij de invoering van het rookverbod in de horeca. Dat zorgde in 2008 weliswaar voor gemopper en een daling in de omzet, maar veel minder dan Ott – zelf fervent shagroker – had gevreesd. „Ik vond het wel spannend van tevoren, er werd hier veel gerookt. Een paar klanten zeiden: Jan, we gaan voortaan wel thuis drinken met een groepje vrienden. Maar ja, na een paar weken kwamen ze toch weer terug. Gingen ze buiten roken.”

Eén keer heeft de gemeente geprobeerd hem een fikse huurverhoging op te leggen: 1000 euro per maand. „Ik dacht: willen jullie me weg hebben ofzo? En dat bedrag kwam ook een beetje over als nattevingerwerk.” Ott kwam in actie: hij schakelde een onafhankelijke commissie in, die uitkwam op 300 euro extra per maand. „Daar hebben de gemeente en ik ons toen allebei aan geconformeerd.”

Lees ook Stanja van Mierlo en het einde van Blijburg - „Ik verlies mijn levenswerk”

De junks zijn weg, nu zijn er de toeristen en het criminele geld. Maar een nieuwe operatie-Zeedijk, op de Wallen, ziet Ott niet zo snel gebeuren. Ja, vastgoed verwerven kan een wapen zijn in de strijd tegen ondermijning. „Maar in de jaren tachtig kon de gemeente die panden heel goedkoop in handen krijgen, het waren allemaal bouwvallen. Nu kost dat veel meer geld. Je moet florerende hoerenkasten opkopen. En de mannen die het daar voor het zeggen hebben, willen natuurlijk het onderste uit de kan.”

Tja, het massatoerisme. Ott begrijpt dat bewoners en winkeliers er horendol van worden. „Het is gewoon heel druk op de Zeedijk, het kan af en toe spoken. Als ik wisselgeld moet halen op de Dam is het wel storend. Er is bijna niet door de mensenmassa’s heen te komen.”

Toch heeft de drukte de sfeer in zijn café nooit echt aangetast, zegt Ott. De grote groepen schreeuwende toeristen gaan grotendeels aan De Kletskop voorbij. „Als er een voetbalwedstrijd is in de Johan Cruijff Arena, gaan de wilde supporters de Wallen op, naar The Old Sailor. De fans die ik binnen krijg, willen zich juist afzonderen van de meute, ze zijn op zoek naar een rustige kroeg.”

En, zegt Ott, je kunt als kroegbaas best een beetje sturen op wie je in je café krijgt en wie niet. Onlangs kwam er een gids binnen met twintig Duitse toeristen. „Na een minuut of twintig wilde ze al weer vertrekken, de bus naar Marken wachtte.” Ott wees haar op een oudere man uit het gezelschap die pas één slokje had genomen van zijn Texelse speciaalbier. „Ik zei: U gaat niet eerder weg dan dat die meneer zijn biertje op heeft.” Toen het gezelschap uiteindelijk vertrok, nam Ott de gids apart. „Eén dingetje nog, zei ik: nooit meer terugkomen.” Schaterend: „Die heb ik niet meer teruggezien.”

Zaak blijft ‘echt bruin café’

Eind vorig jaar besloot Ott dat het mooi was geweest. Hij verkocht De Kletskop aan een vaste klant, een eigenaar van twee coffeeshops in de buurt. „Het 25-jarig jubileum was een fantastisch feest, daarna besloot ik er telkens weer een jaartje aan vast te plakken. Maar na dertig jaar is de tijd rijp.”

Foto Olivier Middendorp

Ott heeft een paar keer een bod gekregen dat hoger was dan het bedrag waarvoor hij de kroeg uiteindelijk heeft verkocht. „Ik heb nee gezegd. Het gevoel was niet goed, ik was bang dat De Kletskop verloren zou gaan.” De nieuwe eigenaar wil de zaak behouden als „een echt bruin café”, zegt Ott. Het grootste deel van het barpersoneel – „acht dames en één jongen” – kan in dienst blijven. „Ik vertrouw erop dat alles blijft zoals het is.”

En hijzelf? Echte plannen heeft Ott nog niet voor het leven na De Kletskop. „Maar na dertig jaar komt er energie vrij in m’n koppie, dat weet ik zeker.” Misschien dat hij wat meer boeken gaat lezen, of vrijwilligerswerk gaat doen. Sowieso wil hij wat vaker naar de Provence, waar zijn vriendin en hij een huisje hebben.

En niet onbelangrijk: Ott blijft één dag in de week een bardienst draaien in De Kletskop. Op donderdagavond, van vier tot negen. „Dat geeft structuur aan de week.”