Recensie

Ingeblikte poep: Manzoni liet zien dat alles kunst kon zijn

Recensie In slechts zes jaar tijd maakte Piero Manzoni meer dan duizend werken. Hoe invloedrijk hij daarmee was, is nu te zien in het Stedelijk Museum Schiedam.

Manzoni’s Merda d’Artista, 1961
Manzoni’s Merda d’Artista, 1961 Foto Agomstino Osio

Piero Manzoni’s meest geruchtmakende kunstwerk is Merda d’Artista uit 1961, ingeblikte poep, geproduceerd in een oplage van negentig conservenblikjes. Op de blikjes staat in vier talen de inhoud vermeld: ‘kunstenaarspoep, 30 gram netto, vers geproduceerd en ingeblikt in mei 1961’. De Italiaanse kunstenaar signeerde de blikjes op het deksel. Ze werden verkocht voor een prijs gelijk aan 30 gram goud. Hieraan voorafgegaan was een andere serie kunstwerken die ook een product van het lichaam van de kunstenaar bevatte, Fiato d’Artista (Adem van de kunstenaar, 1960). Van deze ballonnen die door Piero Manzoni zelf zijn opgeblazen, rest nu niet meer dan slappe, uitgedroogde restjes ballon.

Merda d’Artista bracht Manzoni in conflict met zijn collega’s Heinz Mack, Otto Piene en Günther Uecker, die in 1957 de Duitse Zero-groep hadden opgericht. Manzoni wilde op de internationale Nul-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1962 onder meer zijn poepblikjes laten zien. De Zeroïsten konden zich niet vinden in het conceptuele aspect van dit kunstwerk; ‘conceptueel’ omdat het werk verwijst naar iets wat niet zichtbaar is. Mack, Piene en Uecker wilden juist bepaalde natuurlijke fenomenen – zoals licht, reflectie en beweging – zichtbaar maken.

Daarenboven verschilde hun kunstenaarshouding fundamenteel van die van Manzoni. Voor Manzoni waren duchampiaanse waarden als ironie en kritiek op het kunstsysteem van belang. Maar Duitse Zero-kunst was verre van ironisch. De Zero-kunstenaars hadden verhevener idealen, zij waren op zoek naar verstilling, naar de zuiverheid van een nieuw begin. De naam Zero heeft te maken met het aftellen naar nul, zoals bij het lanceren van een raket, het moment waarop, in Pienes woorden, „een oude toestand in een nieuwe overgaat”.

Piero Manzoni signeert in 1961 een naaktmodel

Manzoni was verontwaardigd over de afkeuring van zijn kunstbroeders. Hij zon op wraak, zo herinnerde Nulkunstenaar Henk Peeters zich later, met het (niet uitgevoerde) plan om tijdens de opening in de kunstinstallaties van de Zero-kunstenaars twintig witte kippen los te laten. Dit zou een toepasselijk kinetisch en monochroom evenement veroorzaken (begrippen als ‘performance’ en ‘happening’ werden nog niet gebezigd – ‘installatie’ overigens ook niet).

Onvermoeibare spil

Een jaar na deze gebeurtenissen overleed Manzoni op dertigjarige leeftijd aan een hartinfarct. Dit leidde ertoe dat de internationale Zero-beweging over het hoogtepunt heen was. Manzoni was de onvermoeibare spil geweest in een uitgebreid Europees netwerk, van overigens uitsluitend mannelijke kunstenaars. Maar nu versplinterde de eensgezindheid in conflicterende kunstopvattingen en in een hevige onderlinge competitie. Deze kunstenaars hadden elkaar, dankzij de inspanningen van Manzoni, in de naoorlogse periode gevonden in het gedeelde streven naar een nieuwe en onbeschreven bladzijde in de kunst. Een persoonlijke signatuur, die tot dan toe vooral lag in het schilderkunstige gebaar, was niet langer relevant. Zero-kunstenaars waren geïnteresseerd in een verbinding tussen kunst en nieuwe moderne productiemethoden, tussen kunst en techniek, tussen kunst en de consumptiemaatschappij. Zij wilden niet langer fenomenen verbeelden, maar met deze fenomenen zelf werken: met rook, vuur, licht, beweging.

Terugblikkend schreef Mack in 1999, in zijn tekst ‘Reflexionen’: „Zero was – in het uur van het begin – een dimensie van de oneindige ruimte, waarin je vrij kon zweven, slechts gedragen door grenzeloze ideeën […] Zero was – in het uur van het einde – een begrensde ruimte, waarin kunstenaars elkaar met het meetlint het territorium bevochten.”

Het Stedelijk Museum Schiedam heeft nu een mooie, afgewogen tentoonstelling gewijd aan Manzoni en de Nederlandse kunst. Hierin staat vooral de briefwisseling tussen Manzoni en de Rotterdamse galeriehouder Hans Sonnenberg centraal. Sonnenberg had in 1958 zijn eigen Zero-beweging opgericht. Manzoni exposeerde bij hem zijn witte, monochrome doeken, Achromen. Tot Sonnenbergs groep behoorden echter ook Informele schilders als Kees van Bohemen en Jaap Wagemaker, voor wie het expressieve verfoppervlak en het schilderkunstige gebaar wel degelijk betekenis hadden. Voor Sonnenberg was dit geen probleem. Zoals hij in 1960 schreef aan Manzoni: „Ik hou van expressionistische schilderijen én van monochromen.”

Stellingname

De Duitse Zero-kunstenaars dwongen Manzoni tot een stellingname en claimden de naam ZERO (met hoofdletters). Manzoni distantieerde zich vervolgens van Sonnenbergs losse beweging, al bleven zij wel bevriend. Vier Nederlandse ‘Zero’-kunstenaars: Jan Schoonhoven, Henk Peeters, Jan Henderikse en Armando, die aanvankelijk samenwerkten met Sonnenberg maar in dezelfde periode ook deel uitmaakten van weer een andere groepering, de Nederlandse Informele Groep (1958 – 1960), herformeerden zich in 1960 tot de Nederlandse Nulgroep.

Hoe dogmatisch en verbeten deze richtingenstrijd ook mocht zijn, er is goede kunst uit voortgekomen. In Schiedam is een mooie keuze te zien van Informele schilderijen en reliëfs, en van werken van Lucio Fontana en Yves Klein. Fontana en Klein waren een belangrijke inspiratiebron voor Manzoni en voor de Europese Zerobeweging. Fontana doorboorde met een mes of een priem het illusionistische vlak van het schilderij en bewerkstelligde aldus met zijn Concetti Spaziali een ‘doorbraak naar de oneindige ruimte’. Er is een zaal gewijd aan witte kunstwerken, waaronder Achromen van Manzoni, reliëfs van Schoonhoven en wattenkunstwerken van Peeters. Ook is er een bewegende licht-installatie van Piene, en een zaal met conceptueel werk van onder meer Stanley Brouwn.

Manzoni’s Base magica – Scultura vivente uit 1961

Het interessante van het werk van Manzoni is de spanning tussen dat wat fysiek aanwezig en zichtbaar is en de afwezigheid van beeld. De Achromen zijn ruwe, fysieke, witte oppervlakken (bijvoorbeeld van witte porseleinaarde, witgespoten kiezelstenen of broodjes) in een lijst, zonder diepere betekenis. Datgene waar Manzoni in zijn titels naar verwijst, blijft onzichtbaar. De lijnen die hij trok op papier zitten opgerold in kokers, met een etiket waarop de lengte van de lijn staat vermeld. De opblaasbare pneumatische sculpturen – Corpe d’Aria – die Manzoni produceerde vanaf 1957 bestaan pas wanneer ze zijn opgeblazen; ze kunnen door de koper worden opgeblazen en op een meegeleverde standaard worden geplaatst.

Manzoni was een conceptueel kunstenaar avant la lettre. Ook loopt zijn werk vooruit op performancekunst en op het hele idee van publieksparticipatie zoals dat in de jaren tachtig opgeld zou doen. In de korte periode van zes jaar heeft Manzoni meer dan duizend werken gemaakt. Het radicaalst is zijn Socle du Monde (1961) – niet in Schiedam aanwezig. Dit is een stalen kubus met ondersteboven in reliëf de titel en zijn naam, waarmee hij de planeet op de kop zette en tot kunst verklaarde. Bij Manzoni is het kunstwerk zelf, als object, secondair. Het laat zien dat alles om ons heen kunst kan zijn.

Correctie (7 maart 2019): In een eerdere versie van dit artikel werd het afgebeelde, en in Schiedam tentoongestelde kunstwerk Base magica – Scultura vivente foutief aangeduid als Socle du Monde, dat niet te zien is. Dat is hierboven aangepast.