In Zeeland gaat de band met het water verloren

Identiteit provincies Jonge Zeeuwen zijn hun band met het water kwijtgeraakt toen de veerponten werden vervangen door dammen en een tunnel. Ze hebben geen angst voor de zee. „De Deltawerken waren al af toen wij hier opgroeiden.”

Bomen worden gekapt in de Hedwigepolder, die weer onder water moet worden gezet.
Bomen worden gekapt in de Hedwigepolder, die weer onder water moet worden gezet. Foto Walter Herfst

De veerboot is weg. Niet voor even, zoals een goede veerboot op gezette tijden, maar voorgoed. De kade van Kruiningen ligt er roerloos bij. Jaren geleden al – in 2003 – werd hier de veerdienst naar Perkpolder opgedoekt, de boten verpatst aan Italiaanse firma’s, het oude veerplein omgebouwd tot nieuwbouwwijk met balkons uitkijkend op de Westerschelde. Verkeer kon voortaan via de Westerscheldetunnel.

„Zonde”, zegt Alexander Hoogstrate, geboren in het nabije Hansweert, op de kade. „Je mist ’m toch.”

Want, weet Hoogstrate (73), zijn baret bollend in de wind: een beetje Zeeuw leeft van jongs af aan met en óp het water. Scheepjes kijken, verstoppertje spelen op de pont, als puber uitgaan in de dancing van Kloosterzande aan de overkant, en op de laatste boot naar huis. „Je sprong als kind op die boot en betaalde geen cent, dat was geen probleem. Zou je dat tegenwoordig doen, dan schieten ze je dood.”

De eerste keer dat de veerboot uit de haven verdween, was Hoogstrate zeven jaar oud. Het was de nacht van de watersnood in 1953: de zee brak door de dijk, verzwolg pier en alles eromheen, sleurde een van de boten diep de polder in. De tweede verdwijning volgde vijftig jaar later op een rustige middag zonder springtij, in maart. Ditmaal kwam hij nooit meer terug: de tunnel had de boot overbodig gemaakt.

Zeeland ís water, hoor je als je vraagt naar het provinciegevoel. De haat-liefdeverhouding van de inwoners met het water is zo oud als de provincie zelf. Een eilandenrijk tussen de slikken en schorren, zo begon wat uitgroeide tot een lappendeken van dijken en polder. Flevoland? Welnee, het waren de Zeeuwen die als eerste hun provincie op de zee veroverden. Niet op de tekentafel, maar uit de losse pols.

Voor de Zeeuwen is de zee „bondgenoot en erfvijand”, schrijven Jan Kuipers en Robbert Jan Swiers in Het verhaal van Zeeland. Het was eeuwenlang de zee „die kansen schiep en dromen de grond in boorde, die getemd moest worden en zich daar vaak aan ontworstelde, die rijkdom verschafte en de bewoners evengoed aan de bedelstaf hielp of ombracht”.

Of zoals Kruininger Henk Jansen-van der Hart (60) het zegt: „Je moet tóch bij dat water wezen.” Het water bindt, vormt de gemeenschapszin en stut het geloof van de Zeeuwen, daarvan is hij overtuigd. „Na elke watersnood stroomden hier de kerken vol.”

„Een Zeeuw is verknocht aan het water”, zegt Henk met de dictie van een schoolmeester. Zijn eigen levensloop beaamt het. De scheepvaart mocht hij niet in, hoe graag hij ook wilde: zijn vader wilde niet het risico lopen zijn oudste zoon te verliezen. Dus werd het een baan in de haven. „Waar een schip werd geladen, daar kwam ik.” En sinds hij arbeidsongeschikt is, lokt het water des te meer. Af en toe varen op het Veerse Meer, uitwaaien op de boulevard van Vlissingen: meer heeft iemand niet nodig. „Je hebt hier alles”, zegt hij met een grijns. „Wij komen Zeeland niet uit.”

Mariniers willen niet

Maar het water trekt zich terug. De laatste pontjes zijn voor de fietsers en voetgangers, de Scheldeoevers zijn bedijkt en het gevaar is ingedamd. Van Kruiningen naar Kloosterzande raas je nu langs de witte nucleaire bol van de kerncentrale van Borssele, door een tunnelbuis waar het altijd windstil is, en voorbij het schoorstenenwoud van chemiereus Dow bij Terneuzen. Geen water te zien, hooguit een enkel schip dat van veraf op de dijk lijkt te zweven. In de provincie van het water, van luctor et emergo (‘Ik worstel en kom boven’), is de zee zowat onzichtbaar. En nu willen zelfs de mariniers, die van Defensie naar Zeeland moeten verhuizen, er niet heen.

Lees meer over de verhuizing van de kazerne naar Vlissingen

Voorbij Kloosterzande in Zeeuws-Vlaanderen worden de percelen uitgestrekter. De dorpen maken plaats voor gehuchten: Baalhoek, Paal, Graauw. Hier ligt het land dat bij de volgende overstroming onder zee zal verdwijnen, precies volgens de berekeningen van ingenieurs en bureaucraten: de Hedwigepolder.

„Het is in feite een nieuw Scheldetractaat”, had Alexander Hoogstrate aan de rivieroever in Kruiningen gezegd. Dat verdrag garandeerde in 1843, enkele jaren na de Belgische afscheiding, een vrije doorvaart door Nederlandse wateren voor schepen op weg naar de Vlaamse havens aan de Schelde.

En dus moest de Westerschelde enkele jaren geleden verder uitgediept worden, om ook de grote hedendaagse containerschepen met hun reusachtige ladingen toe te laten tot de dokken van Gent en Antwerpen. Van de ontpoldering van de Hedwigepolder moet ook de natuur meeprofiteren. Als de dijk eenmaal is doorgestoken, zo luidt de hoop, zullen de flora en fauna van de Westerschelde in het gebied welig tieren.

Maar op zee herwonnen land weer aan de zee afstaan, in naam van een internationaal verdrag: dat krijg je aan veel Zeeuwen niet zonder morren uitgelegd. „Ik noem het wel eens de langstlopende nederlaag ooit”, had Hoogstrate verzucht. „En dat allemaal om Antwerpen droog te houden.”

Zeeuwen van de oudere generatie staat de strijd tegen het water nog helder voor de geest. Maar met de komst van de tunnel en de dammen verdwenen – behalve de veerdiensten – ook de angst voor en de band met het water bij hun jongere provinciegenoten.

„Het teruggeven van land aan de zee, dat raakt me niet zo”, zegt Michael Hamelink. Zijn blauwe Skoda jaagt hij over de eenbaanswegen van het grensgebied. Vogelverschrikkers, gehuld in gele hesjes, houden de wacht over de akkers. Achter een bomenrij ligt de polder die over enkele jaren onder water zal staan. Straks vliegen er zeearenden, als de ambities uitkomen. Maar voorlopig, zegt een buurman, schiet één van de boeren de voorbij vliegende ganzen nog gewoon van zijn erf.

Dramatiek van verleden

Begrijp Michael (35) niet verkeerd: ook hij baalt van de ontpoldering. „Het is een heel mooi stukje land. En juist daar wordt straks gewoon de dijk opengehaald en het land weggegooid.” Maar de dramatiek van het verleden is aan hem niet besteed. „Als ik met mijn oma praat, ja, dan hoor ik verhalen over het water. Maar een overstroming hebben wij niet meer meegemaakt. De Deltawerken waren al af toen wij hier opgroeiden.”

Wie jong is in Zeeland, kampt met andere zorgen. Alleen in Middelburg huist een kleine universiteit, een vestiging van de Universiteit Utrecht. De voorzieningen beperken zich tot de grotere plaatsen. Aan de randen is de krimp ingezet.

Jongeren zijn hier in de minderheid, Zeeland is een oude provincie. Meer dan één op de vijf inwoners is boven de 65. In Zeeuws-Vlaanderen is dat zelfs een kwart, een bevolkingspiramide die in Oost-Duitsland of Japan niet zou misstaan.

Door verhuizingen veroudert de provincie verder. Studenten en baanzoekenden trekken naar de Randstad. Ouderen uit de andere provincies maken soms juist een omgekeerde beweging. Welgestelde pensionado’s vestigen zich, soms voor miljoenen euro’s, in de huisjes aan de Zeeuwse kust. Achter de verstevigde dijken is het tegenwoordig rustig rentenieren.

Lees ook: Hier is de bezorgservice ook een zorgservice

Van verder lijkt Zeeland een kleine en hechte provincie. „Niet groter dan een dienst-envelop”, concludeerde Lodewijk van den Berg over zijn thuisgrond na een baan rond de aarde. Niet Wubbo Ockels, maar híj was de eerste ruimtereiziger van Nederlandse bodem. Het paspoort op zijn naam was dan wel Amerikaans, maar zijn geboortedorp Sluiskil zo Zeeuws als de vlag die hij meenam op zijn ruimtereis.

Pas van dichtbij openbaart zich de verscheidenheid die provincie altijd heeft gekenmerkt. Dan zie je: de eilanden twisten met elkaar, en op de eilanden de dorpen, en in de dorpen de zuilen. De gereformeerde gemeente van Kruiningen scheurde anderhalf jaar terug in tweeën door ruzie tussen de dominee en zijn gemeenschap. En toen vijf jaar geleden de miljoenen van de Postcode Loterij neerdaalden in Vrouwenpolder – groot genoeg voor een handvol kerken, klein genoeg voor één gezamenlijke postcode – stonden de brievenrubrieken bol van de roddels over goklustige gelovigen. Worstelen en boven komen, ook onderling.

Ver-van-je-bedshow

Niet dat de zee de inwoners met rust laat. Als de zeespiegel stijgt, is Zeeland als eerste getroffen. Wetenschappers maakten onlangs de inschatting dat het kabinet bij een serieuze zeespiegelstijging zou moeten overwegen de gehele provincie op te geven. De reacties stroomden binnen, maar dit keer staan de Zeeuwen niet te trappelen om in actie te komen.

„Het blijft een ver-van-je-bedshow”, zegt Michael Hamelink. Vandaar, vermoedt hij, dat de urgentie nog niet overal gevoeld wordt. Hij maakt één kanttekening: „Maar misschien spreek ik over vijftig jaar anders en staat alles dan onder water.”

Misschien, klinkt het aan verlaten pontjeskades en op de dijken, is die saamhorigheid nog wel het grootste gemis nu het water is geweken.

„Economisch was die boot natuurlijk altijd een blokkade”, zegt havenwerker Henk Jansen-van der Hart. „Maar ja, die nostalgie hè.”

„Ze zeggen allemaal dat ze de veerboot zo missen”, zegt de vrouw van Alexander Hoogstrate op de Kruiningse Scheldeoever, twee honden in het gareel houdend. „Maar ze vergeten dat je bij mist of drukte zo uren stond te wachten.”

Alexander knikt. „Wat ze echt missen, zijn de erwtensoep en de kroketten aan boord.”

Correctie (7 maart 2019): In een eerdere versie van dit bericht stond dat meer dan één op de vier inwoners van Zeeland boven de 65 is. Juist is: meer dan één op de vijf. Dat is hierboven aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.