Opinie

    • Paul Scheffer

Het tere vaasje van de taal

Het was een fijn beeld: een premier die zich in de porseleinkast waagt. Ik weet niet zeker of het Delfts blauw was, maar de vaasjes waarmee hij zich omringde zagen er breekbaar genoeg uit . Zijn boodschap voor de aanstaande verkiezingen is duidelijk: ‘Ik zie Nederland als een teer vaasje. We moeten dat beschermen.’

Als het goed is, staat die slimme beeldvorming niet op zichzelf – het suggereert een late bekering. Stap voor stap lijkt Mark Rutte afscheid te nemen van het idee dat de maatschappij vooral gedijt door het al te liberale ‘gewoon jezelf zijn’. Na lange jaren komt hij erachter dat een open samenleving vraagt om een sterke overheid.

Dat inzicht had hij als historicus al eerder kunnen opdoen. Zijn herhaalde bewering dat visie nergens toe dient staat namelijk haaks op de geschiedenis van dit land. Onderzoek van Harvard-econoom Dani Rodrik laat zien dat de meest open economieën – hij noemt ons land als voorbeeld – doorgaans de meest omvangrijke overheden hebben voortgebracht.

Dat ligt voor de hand. Samenlevingen blijven alleen open als ze tegen de schokken van de wereldwanorde worden beschermd. Zeker een land met weinig binnenland heeft nu eenmaal veel buitenland. Nederland moet bewegelijk zijn, maar dat vraagt om een overheid die visie uitdraagt en verdedigt.

Vandaar de reddingsoperatie voor de nationale luchtvaart. Die blijkt op veel instemming te kunnen rekenen. Of daarmee werkelijk een andere weg is ingeslagen weet ik niet, daarvoor is het beleid te onsamenhangend. De poging om de dividendbelasting af te schaffen wees namelijk in een heel andere richting. Die onbezonnen maatregel was geen investering maar een verspilling van belastinggeld in ruil voor onbetrouwbare toezeggingen.

Het vaasje van de premier is een mooi beeld dat aanzet tot een heroverweging van onze plaats in de wereld. Lang hebben we ons tamelijk onkwetsbaar gewaand: de geschiedenis kwam onze kant op. Nederland dacht als gidsland voorop te lopen – een grenzeloos land dat zich verheven voelde boven de buurlanden die niet loskomen van hun achterhaalde ideeën over nationale identiteit.

Zo waren wij niet. De godsdienstwetenschapper Peter van der Veer kreeg twintig jaar geleden de lachers op zijn hand met zijn essay Nederland bestaat niet meer: „Mijn voorspelling is dat het met het Nederlands net zo gaat als met het Gronings uit mijn jeugd, het wordt een sentimenteel dialect.” Dat was volgens hem helemaal niet erg, want in vergelijking met de Angelsaksische literatuur stelt de Nederlandse maar weinig voor.

Zijn voorspelling komt inmiddels steeds meer uit – zeker op de universiteiten gaat de verengelsing in een razendsnel tempo. Het bijkomend effect is dat de studie Neerlandistiek in de verdrukking komt. Wie studenten het idee meegeeft dat de toekomst Engelstalig is, mag zich niet verbazen wanneer die studenten de eigen taal gaan negeren.

Een premier die spreekt over een kwetsbare samenleving zou zich moeten bekommeren om het tere vaasje van de taal. Daarbij valt wel iets te leren van onze zuiderburen. In Vlaanderen zijn er grenzen gesteld aan de verengelsing. Dat heeft gevolgen: terwijl in Nederland nu al 75 procent van de masteropleidingen niet meer in het Nederlands is, gaat het in Vlaanderen om niet meer dan 25 procent.

Zo’n begrenzing moeten we niet aan de universiteiten overlaten. Die hebben in hun zucht naar internationalisering het algemeen belang uit het oog verloren. Ook in Vlaanderen willen de universiteiten meer Engels dan nu is toegestaan. De regering moet het voortouw nemen, want de verdringing van de eigen taal heeft vergaande gevolgen voor het hele onderwijs. Waar halen we straks de leraren Nederlands nog vandaan?

De lacherigheid van twintig jaar geleden is langzaam aan het verdwijnen. We zien beter dat de zelfrelativering die werd uitgedragen eigenlijk een vorm van zelfverheffing was. Dat wisten onze buren al langer, die zagen in de woorden van de Vlaamse schrijver Geert van Istendael heel goed de „aanmatiging, zelfgenoegzaamheid en tactloosheid”.

Het vaasje van Rutte hoort bij de ontnuchtering over onze plaats in de wereld. Het blijft een open vraag of hij werkelijk van mening is veranderd met zijn opzichtige koestering van het serviesgoed. Maar in een wereld vol conflict bestaat behoefte aan een politiek die openheid en bescherming verenigt.

Ondertussen zou de actie van de regering om de nationale luchtvaart te redden de Franse president Charles de Gaulle niet hebben verbaasd. Die wist al vroeg: „De Hollanders zijn koppig, komen op voor hun belangen en vormen dus een natie.” Die wijsheid moeten onze bestuurders zich eigen maken nu het gidsland door de geschiedenis in de steek is gelaten.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.