Bob Fosko (Geert Timmers), zanger van de Raggende Manne

Foto Andreas Terlaak

Bob Fosko van de Raggende Manne: ‘Daar ga je met je mooie Bourgondische uitgangspunten’

Interview Bob Fosko Net toen Bob Fosko weer met zijn band Raggende Manne op tournee wilde gaan, kreeg hij te horen dat hij kanker had. Nu wordt hij op het podium bijgestaan door gastzangers.

De theepot, het bestek, de snelkookpan en zelfs de blonde pruik van de man in vrouwenkleren op de hoes. Alles zit onder de felgroene, slijmerige drek. Alles Kleeft is de titel van het nieuwe album van De Raggende Manne, hun eerste sinds Omschudden uit 1998.

Viezigheid was al langer een handelsmerk van de Amsterdamse band die gitaarrock op anarchistische, Zappa-eske manier binnenstebuiten keert. Hits hadden ze nooit, maar ‘Poep in je Hoofd’ wordt door half Nederland herkend en meegeschreeuwd. „Zal ik jou eens even lekker in je bek schijten”, gaat het dan uit volle borst. „Of heb je al poep, poep in je hoofd?”

Alles Kleeft was al af toen zanger Bob Fosko (63) begin dit jaar een onheilstijding kreeg. Hij had al langer een pijntje in zijn maagstreek. In het ziekenhuis werd een tumor in zijn slokdarm geconstateerd. Kwaadaardig. „Zo groot als mijn wijsvinger”, doet Fosko voor. „Met uitzaaiingen in mijn lever en nek”, stelt hij nuchter vast. Hij ging akkoord met chemotherapie. Nu, na de eerste behandeling, ondervindt hij de bijwerkingen. „Ik heb griep, alle energie is weg. Mijn weerstand is met sprongen achteruitgegaan. Ik lust niks meer, kots alles uit. Daar ga je met je mooie Bourgondische uitgangspunten.”

Ze konden er wat van, de Raggende Manne. Optredens waren bacchanalen, orgieën van herrie, drank en chaos. Ze duurden nooit lang, met woede-explosies als ‘Sodemieter op’, anderhalve minuut van furieuze spierballentaal. Of de twintig seconden van ‘Ik Vind Je Leuk’, opnieuw een dankbare publieksfavoriet:

Ik vind je leuk / ik vind je aardig /

maar je stinkt uit je bek als een beer uit z’n reet

De Raggende Manne raasden over het podium zonder consideratie voor goede smaak, trommelvliezen of de stembanden van de zanger. „Ik had wel wat zangtechniek,” zegt Fosko, „maar zo’n optreden hield je nooit lang vol. Na drie kwartier was ik meestal wel uitgeraasd.”

Bob Fosko (echte naam Geert Timmers) had intussen andere dingen te doen. Hij acteerde in musicals (The Blues Bothers, My Fair Lady, Kerstmis in de Jordaan), initieerde projecten als de gabberpersiflage Hakkûhbar, trad op in reclamespots en had zijn eigen band Fosko. Na elf wilde jaren hielden De Raggende Manne er in 1999 mee op. Definitief, dachten ze toen, met een persbericht waarin ze verklaarden „uitgekankerd” te zijn.

Pas toen de band in 2013 eenmalig bij elkaar kwam om te vieren dat hun muziek op digitale platforms verscheen, bleek er nog leven te zitten in de oude bezetting. Fosko, bassist Louis ter Burg, drummer Pall Gudmundsson en gitaristen Theo Slagter en Arnold Smits namen in drie sessies genoeg materiaal op voor een album. Alles Kleeft heeft alle kenmerken van een ‘klassieke’ Raggende Manne-plaat, met hoekige muziek en opgewonden teksten over modern ongemak. ‘Wat zijn de kaders / hoe lopen de grenzen van onze bevoegdheden?’ hekelt Fosko de jeuktaal van het kantoorleven in de songtekst van ‘Aanvliegen’. ‘Dat maak ik zelf wel uit’, raast hij als vanouds in een opgewonden jazzpunknummer.

Hoe moet dat op het podium, nu Bob Fosko niet meer zeker weet of hij genoeg lucht heeft om het einde van het optreden te halen? De Raggende Manne willen nog één keer op tournee. Om dat mogelijk te maken wordt Fosko bij elk optreden bijgestaan door gastzangers. „Dat kunnen mensen uit het publiek zijn, want die stonden altijd al klaar om op het podium te springen. Om het allemaal een beetje in banen te leiden hebben we vrienden gevraagd mee te doen. Ro Krom uit Gotcha!, die al eerder in de band zat. Beatrice van der Poel, een fantastisch zangeres die mijn temperament als geen ander kent. Ryanne van Dorst, Hans Vandenburg van Gruppo Sportivo – muziekvrienden die er altijd voor ons zijn. Ik doe wat vaker een stapje opzij en kan er hopelijk van genieten hoe onze concerten een feestje worden.”

Achteraf lijkt het of er in de nieuwe nummers verwijzingen zitten naar Fosko’s huidige toestand. Dat is puur toeval, want de opnames waren er al. Frappant is het wel, hoe toepasselijk het nummer ‘Wachten tot het Beter Wordt’ nu is:

Moet ik echt gaan zitten wachten tot het beter wordt

Stil, in een hoek van de kamer?

Dan kun je wachten tot je een ons weegt!

Het is Bob Fosko ten voeten uit. Uitgesproken, onverzettelijk, niet klein te krijgen. „Maf is dat”, verzucht hij, „het krijgt nu allemaal een heel andere betekenis. Het zijn oprechte bespiegelingen die ik al eerder voor mezelf had geformuleerd. Een aantal jaar geleden had ik een depressieve periode en sindsdien ben ik intensief gaan wandelen, hier door de buurt. Goed voor mijn hart en goed voor mijn hoofd. Dan komen al die gedachten voorbij. Hoe ga je verder? De kinderen zijn het huis uit, kleinkinderen zijn geboren. Mijn vrouw Vera was heel ziek en is genezen van kanker. Ik weet niet waar mijn leven naartoe glijdt. Ik heb nog inspiratie en ambitie om dingen te doen, maar het wordt steeds ingewikkelder om ze ten uitvoer te brengen. Eigenlijk wilde ik al met pensioen, toen die bom van een diagnose eroverheen kwam.”

Bij de albumpresentatie in Amsterdam springt tijdens een kort optreden van de Raggende Manne een jong meisje op het podium. Bijna feilloos schreeuwt ze de volledige tekst van ‘Poep in je Hoofd’ in de microfoon, terwijl Fosko goedkeurend toekijkt. „Dat we d’r nog zijn hè?”, verbaast hij zich hardop over het wonder van de heropgerichte Raggende Manne. „Ik ben er nog effetjes. We houden vol.”