Zijn scholen te rijk, of juist te arm?

Vijf vragen over financiering scholen De Tweede Kamer debatteert woensdag over financiën in het onderwijs. Een op de zes basisschoolbesturen houdt te veel geld over.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Een op de zes basisschoolbesturen heeft te veel geld op de spaarrekening staan, berichtte de PO-Raad dinsdag na eigen onderzoek onder zijn leden. Minister Arie Slob (Onderwijs, ChristenUnie) schreef vorig jaar nog dat geld oppotten niet voorkomt in het basis- en voortgezet onderwijs, maar moest daar onlangs van terugkomen. „De toenemende reserves baren ons zorgen”, schreef hij. „Het gaat tenslotte om geld dat bedoeld is voor het geven van onderwijs.”

Woensdag debatteert de Tweede Kamer over financiën in het onderwijs en het lumpsumsysteem, waarbij schoolbesturen geld krijgen dat ze naar eigen inzicht mogen verdelen.

Zijn scholen te rijk of juist te arm, zoals ze zelf vaak zeggen? Vijf vragen.

1 Wat onderzocht de PO-Raad?

De PO-Raad vergeleek de vermogens van de circa 1.100 basisschoolbesturen met een ‘signaalwaarde’, die aangeeft hoeveel spaargeld een schoolbestuur zou moeten hebben. Die waarde is per bestuur verschillend – het hangt bijvoorbeeld af van de grootte. Uit de vergelijking komt naar voren dat 17 procent van de besturen „mogelijk” te rijk is: hun buffer bedraagt 185 miljoen euro, 1,8 procent van de totale inkomsten van het basisonderwijs. 13 procent van de besturen heeft volgens de PO-Raad juist een onverantwoord kleine buffer.

Lees ook Geld genoeg, maar scholen moeten er te veel tegelijk mee

2 Is de conclusie nieuw?

Dat scholen geld oppotten is een geluid dat al langer klinkt. In 2012 onderzocht de Inspectie van het Onderwijs de 346 rijkste basis- en middelbareschoolbesturen. De meeste hadden een goede reden voor de buffer, maar voor 93 besturen in het basisonderwijs en 17 besturen in het middelbaar onderwijs gold dat niet. Het Onderwijsblad berekende vorig najaar dat ruim 300 onderwijsinstellingen (eenvijfde van het totaal) in alle sectoren al vijf jaar onafgebroken geld overhouden. In het basisonderwijs gaat het om 213 besturen; 147 daarvan (15 procent van het totaal) staan gemiddeld 3 procent of meer in de plus. Tussen 2013 en 2017 boekten zij een gezamenlijk overschot van 179 miljoen euro.

3 Waarom sparen scholen?

Sommige besturen hebben goede redenen voor hun grote reserves, zegt Rinda den Besten, voorzitter van de PO-Raad. Ze anticiperen bijvoorbeeld op leerlingenkrimp of nieuwbouw. Daarnaast, zegt ze, hebben besturen te maken met een „heel complexe bekostiging”, die van veel factoren afhankelijk is, zoals het aantal leerlingen en de leeftijd van het personeel. Veel definitieve bedragen zijn pas na het schooljaar bekend. „Ik denk soms dat er maar twee mensen zijn die ons bekostigingssysteem helemaal begrijpen”, zegt Den Besten. „De ene werkt bij ons en de andere bij het ministerie.”

Ook heeft de sector een neiging tot voorzichtig begroten. „Rode cijfers worden slecht begrepen door leraren en ouders, je wilt als school niet het imago hebben van financiële problemen”, zegt Den Besten. „Terwijl negatief begroten geen slecht idee hoeft te zijn met grote reserves.”

4 Wat kan de overheid doen?

Arjan Linthorst, docent scheikunde en „burger die belasting betaalt”, verkondigt al langer dat basisschoolbesturen veel te voorzichtig begroten. Hij wijst op onderzoek van de commissie-Don uit 2009, die het financieel beheer van onderwijsinstellingen onderzocht. Die commissie adviseerde een bovengrens voor de liquiditeit – de mate waarin een bestuur aan financiële verplichtingen kan voldoen op de korte termijn. De inspectie gebruikt in het toezicht alleen een ondergrens. „Ongeveer 95 procent van het primair onderwijs zit boven de bovengrens die de commissie-Don adviseerde”, zegt Linthorst. „De solvabiliteit en liquiditeit (de mate waarin financiële instellingen aan hun betalingsverplichtingen op de lange termijn kunnen voldoen, red.) is meer dan een factor twee hoger dan die van een gemiddelde mkb’er, terwijl de inkomensonzekerheid daar nog véél groter is.”

Linthorst vindt dan ook dat er een scherpe bovengrens moet komen, zodat de inspectie kan controleren of er niet te veel belastinggeld op de plank blijft liggen.

Lees ook Schoolbesturen: stop met geld oppotten

Linthorst vindt ook dat bestuurders een „proeve van bekwaamheid” moeten behalen als het om onderwijsfinanciën gaat. Dat het slecht gesteld is met de financiële deskundigheid van schoolbestuurders was ook één van de conclusies van de commissie-Don. Toenmalig minister Marja van Bijsterveldt (CDA) beaamde dat in 2012. En ook Rinda den Besten ziet een gebrek aan financiële expertise, met name bij de kleine basisschoolbesturen (46 procent is een eenpitter). „Het is best ingewikkeld, in je eentje een school besturen, de dagelijkse leiding hebben en door het lerarentekort ook nog voor de klas staan.”

Linthorst is ook kritisch op het onderzoek van de PO-Raad. „Niemand kan hun conclusie checken. Ik zie dit als een aalmoes in het maatschappelijke debat.”

5 Hoe valt het oppotten te rijmen met de lerarenprotesten om werkdruk en salaris, en de roep van scholen om meer geld?

Volgens Rinda den Besten hebben die twee zaken juist met elkaar te maken. „Uit allerlei onderzoek blijkt dat wij structureel geld tekortkomen voor materiaal en gebouwen, dat gaat om 375 miljoen per jaar – veel meer dus dan de incidentele reserve die er nu is. Juist doordat de structurele bekostiging tekortschiet, merken we dat besturen voorzichtiger zijn gaan begroten. Tegelijkertijd is er bij 13 procent een onverantwoord kleine buffer. Dat is zorgwekkend.” Overigens kan er niet meer salaris betaald worden van de buffer, omdat het geen structureel geld is.