Recensie

Tentoonstellling maakt einde aan mythe ‘Meester van Elsloo’

Beeldende kunst Lange tijd werd vermoed dat ‘de Meester van Elsloo’ een groot atelier had. Een tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum laat ruimte voor twijfel.

Elsloo, Parochie Sint-Augustinus, Sint-Anna-te-Drieën
Elsloo, Parochie Sint-Augustinus, Sint-Anna-te-Drieën Foto © KIK-IRPA, Brussel

Twee slachtoffers maakt de expositie Meester van Elsloo. Van eenling naar verzameling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht: de connaisseur en ‘de Meester van Elsloo’. Kenner Zef Timmers, in later jaren hoogleraar esthetiek, kunstgeschiedenis en iconografie en directeur van het Bonnefantenmuseum, publiceerde in 1940 over twee Anna te Drieëns en drie Madonnabeelden (allen uitgevoerd in eiken) die hij toeschreef aan een beeldsnijder waarvoor hij bij gebrek aan echte identiteit de noodnaam de Meester van Elsloo bedacht. In de kerk in dat dorp was immers het meest karakteristieke werk van de vijf te vinden.

Timmers kwam tot zijn toeschrijvingen op basis van stilistische kenmerken van de beelden zoals popperige gezichtjes, uitbundige plooival en lange, slanke vingers. Zijn opvolgers als kenners borduurden daar een halve eeuw op voort. Het oeuvre van de meester dijde uit tot ruim tweehonderd beelden. Een groot atelier van de Meester werd vermoed. Connaisseurs waren nogal stellig, waar ze eigenlijk behoorlijk in het duister tastten.

Staatkundige lappendeken

Hedendaagse onderzoekers keken breder. Ze doken bijvoorbeeld in de archieven voor historische context. De twee Limburgen van nu vormden eind vijftiende en begin zestiende eeuw nog een staatkundig lappendeken. Oorlogen volgden elkaar in rap tempo op, omdat de hertogdommen Bourgondië, Gelre, Kleef en het prinsbisdom Luik juist in deze streken om de hegemonie vochten. Ook kerken leden schade en gaven naderhand opdrachten voor nieuwe kunst. Heel veel valt daar niet over te vinden, zoals ook de makers veelal anoniem blijven, mogelijk ook door de turbulente tijden van toen. Duidelijk is wel dat de eerder door connaisseurs veronderstelde grote ateliers nooit hebben bestaan. Zelfs een grote stad als Antwerpen kende geen grote werkplaatsen, laat staan dat die in om en het Maasdal te vinden waren. Kundige ambachtslieden beschikten hooguit over een of twee gezellen.

Technische analyse van de beelden en het gebruikte materiaal boden een ander spoor. Het verst daarin ging het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel. Dat bekeek zeventig aan de Meester van Elsloo toegeschreven beelden. Net als uit ander kleinschaliger onderzoek bleek daaruit dat er onmogelijk één meester (eventueel met wat hulpjes) aan het oeuvre kan hebben gewerkt, maar dat beelden van tal van snijders onterecht op één hoop zijn gegooid.

Levendigheid

De kunstwerken die nu in het Bonnefantenmuseum zijn te zien dateren uit de periode tussen 1480 en pakweg 1525, de oogst van een kleine halve eeuw. Zichtbaar een overgangstijd, met aan de ene kant nog het voortleven van de middeleeuwse traditie en de daarbij horende, in onze ogen wat platte en onbeholpen manier om mensfiguren te verbeelden en aan de andere kant al vooraankondiging van de verfijning en levendigheid van de kunst van de tijden die aanstaande waren.

In sommige zalen zijn Meesters van Elsloo’s van deze uiteenlopende soorten pontificaal tegenover elkaar geplaatst. Het verschil is het grootst bij een waarschijnlijk voor privédevotie bestemde, uit perenhout gesneden Maria en Johannes uit een Calvariegroep, en hetzelfde thema in eikenhout verbeeld voor een kerk in Venray: verfijning en precisie nauwelijks groter dan twintig centimeter versus ruim acht keer zo groot plomper en naïef ogend werk.

De tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum laat veel aan de bezoeker over. Kijk zelf en vel een eigen oordeel, luidt de onderliggende boodschap. Waarbij tegenover de ongefundeerde overtuiging van de connaisseurs van weleer volop ruimte wordt gelaten voor twijfel.

    • Paul van der Steen