Onmaakbaarheid van samenleving staat centraal

Parlementaire enquête Onderzoeken kunnen politieke carrières maken óf breken. Ook daarom zijn ze onweerstaanbaar.

De parlementaire enquête behoort tot één van de in de Grondwet verankerde basisrechten van de Tweede Kamer. Lange tijd was het een ongebruikt instrument wat iets zei over de zwaarte ervan. Een enquête waarbij getuigen onder ede kunnen worden gehoord, gebeurt niet zomaar. Toen in 1983 werd besloten tot een enquête naar de overheidsbetrokkenheid bij het failliet gegane scheepsbouwconcern RSV was dit voor het eerst sinds 1956. Dat jaar sloot de Tweede Kamer een negen jaar durend onderzoek af naar het regeringsbeleid in de oorlogsjaren 1940-1945.

Met de inmiddels legendarische RSV-enquête die twee jaar duurde werd de deur opengezet voor een veel frequenter gebruik van deze vorm van parlementair onderzoek. Sindsdien organiseerde de Tweede Kamer nog tien enquêtes. Maar het dramatische theater dat voor RSV-enquête doorging heeft zich nooit meer in die mate herhaald.

Alleen het beeld al: hoofden van in sigarenrook verdwijnende Kamerleden als strenge ondervragers tegenover vaak stotterende en zwetende getuigen van wie sommigen te maken hadden met acuut geheugenverlies. De rechtstreeks op televisie uitgezonden verhoren waren een kijkcijferhit. De streng gereformeerde voorzitter, het CDA-Kamerlid Cees van Dijk, kreeg er de toen nog niet door inflatie aangetaste status van Bekende Nederlander door.

Gretigheid

Vandaar ook de gretigheid waarmee Kamerleden bij latere enquêtes opteerden voor het voorzitterschap van de commissie. Het leiden van het parlementair onderzoek naar de Bijlmerramp haalde eind jaren negentig CDA-Tweede Kamerlid Theo Meijer uit de anonimiteit.

Maar ook hier geldt dat overdaad schaadt. In 2013 waren twee enquêtes tegelijk bezig: één naar het stelsel van woningbouwcorporaties en één naar de aanschaf van de Fyra die de snelle treinverbinding van Nederland naar België moest verzorgen. Maar wie weet nu nog dat PVV’er Roland van Vliet respectievelijk Kamerlid Madeleine van Toorenburg (CDA) hiervan de voorzitter waren?’

Politicoloog Lenny Vulperhorst schreef in 2014 het boek ‘De onderste steen’ over de rol en betekenis van parlementaire onderzoeken. De constante bij enquêtes is volgens hem „de onmaakbaarheid van de samenleving”. Het gaat bijna altijd om zaken als verkeerd aangewende subsidies of mislukte aankopen zoals treinstellen dan wel een fraudebestendig paspoort.

De ophef die hierover ontstaat vereist bij het publiek allereerst genoegdoening. Vulperhorst kan zich al voorstellen wat dit straks betekent bij de voorgenomen enquête naar de gang van zaken rond de gaswinning in Groningen: „Een roep om het grillen van voormalig minister Henk Kamp”. Want er zal, zegt hij, „spektakel nodig zijn waardoor de Kamer het volk kan laten zien dat men dit niet zomaar nog eens laat gebeuren.”

Bij enquêtes horen schuldigen. En dat leidt dan weer tot politieke gevoeligheid. Bij de paspoortaffaire moesten minister Wim van Eekelen (Buitenlandse Zaken, VVD) en diens staatssecretaris René van de Linden (CDA) het veld ruimen. Het onderzoek in 1994 naar de infiltratie van criminele organisaties door het Interregionale Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) onder leiding van Maarten van Traa (PvdA) leidde tot de val van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, Ernst Hirsch Ballin (CDA) en Ed van Thijn (PvdA).

Volgens politicoloog Vulperhorst ontstaat in een enquêtecomissie altijd een zekere clubvorming tussen de leden onderling naarmate zij meer met de materie vertrouwd raken. „En die wordt dan op de proef gesteld op het moment dat er politieke conclusies moeten worden getrokken.”

Of dat straks bij de enquête naar het Gronings gas ook weer het geval zijn moet nog blijken. Maar de boosheid in Groningen is groot. Daar zal een enquêtecommissie iets mee moeten doen.