De vastzitvisser

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 19: het genot van vishaken knopen

De ware visser is de verlichte visser. Als hij niets of uitsluitend gupjes haakt, of anderszins wordt geplaagd, mag-ie niet mopperen of foeteren. Vissen is spiritualiteit. Frustratie, nijd, ergernis, razernij, hebzucht, het past niet. In de handeling zélf, zittend aan ’t water, tussen ’t riet of aan ’t strand, op pier of bergklif, zwevend tussen aarde, lucht, water en vlammende hemellichamen, daarin schuilt kosmische loutering. Catharsis.

Toch heb ik afgelopen weekend een partij staan vloeken van heb ik jou daar.

Mijn vislijn zat vast. De zoveelste keer, zes of zeven maal achtereen. Muurvast. Gehaakt in de bodem, in de stenen brokstukken, hoekige blokken, in die hele roestige teringbende. In vele zeeën en baaien heb ik gehengeld, op vele rotspartijen en pieren gestaan, maar dit mieterse bodemgedonder ken ik vooral van Nederland. Kordaat werp je uit, pontificaal ga je zitten, cool en manhaftig blik je om je heen, en ’t volgende moment zit je vast. Nog hoopvol gestemd begin je voorzichtig te trekken, kleine, korte rukjes, maar die worden alras grimmiger, fanatieker, en ’t eindigt ermee dat je met een banaankromme hengel zwaait en maait als een dwaas ei.

Geen kluchtiger schouwspel dan de vastzitvisser. Uit pure frustratie en gêne over je eigen modderfiguur volgt ten slotte die ene ferme finale haal en, knap!, lijn stuk. Sta je daar met een sneu kaal lijntje, wapperend in de wind. Alles foetsie. Alles wat je thuis zo zorgvuldig prepareerde, al die uren, het secure, minutieuze optuigen van je hengsels, de haken, de wartels, gewichtjes, onderlijnconstructies met afleggers, ringetjes, stoppertjes, kraaltjes, die hele reutemeteut in één klap weg. Goddank was ik niet enige vastzitter; er vlogen die middag heel wat ziektes en vrouwelijke geslachtsdelen door de lucht van Maasluis. Toch wist ik mij die avond kostelijk te vermaken. Niet met een vette panvis, maar toch zeker wel met ’t knopen van een gloednieuwe rits vishaken. Eerlijk waar, geen avontuurlijker ambacht dan, terwijl Trump en Kim Jong-un over kernbommen klessebessen, onder een leeslamp haken te knopen. De palomarknoop, albertoknoop, Vlaamse knoop, trileneknoop, tandemknoop, dropperknoop, bloedknoop, ik pruts en klungel ze allemaal in elkaar. Vouw de lijn dubbel, houd het boven op de haaksteel, pak het puntje vast, draai ’t stevig rond de steel, dan door het oogje, leg de windingen aansluitend naast elkaar, steek na zes windingen het eindje van de lijn door de uitstekende lus, houd de knoop met de linkervingers vast, met tong bevochtigen, voorzichtig naar rechts trekken, de lus schuift nu met de draad onder de windingen door, et voilà, je kan ’n olifant ophijsen! Terwijl ik zo de hele avond bezig was, dacht ik: Oud Gereformeerde huisvrouwtjes breien sokjes en naaien gaatjes en eigenlijk zijn wij vissers ook Oud Gereformeerde huisvrouwtjes, met een leuter.