Opinie

    • Jan Drentje

De kansengelijkheid in het onderwijs neemt eerder toe

Onderwijsblog De kansengelijkheid neemt niet af in het onderwijs, zoals de Onderwijsraad zegt. Voor verbetering hoeven niet alle schooltypes weer bij elkaar, vindt Jan Drentje.

Remko de Waal/ANP

In zijn vorige maand verschenen rapport over de Stand van educatief Nederland spreekt de 100-jarige Onderwijsraad zijn zorgen uit over de toenemende maatschappelijke segregatie en kansenongelijkheid in Nederland. Een goede zaak!

We spreken al een paar decennia van witte en zwarte scholen. Er ligt druk op de eindadviezen van het basisonderwijs omdat ouders hun kinderen het liefst geplaatst zien op een school voor minimaal havo. Doorstromen naar een hoger niveau is er niet eenvoudiger op geworden. Schaduwonderwijs is voor wie het kan betalen een manier om ervoor te zorgen dat instroom in het hoger beroepsonderwijs of de universiteit mogelijk is: de garantie voor een bovenmodaal inkomen en een gemiddeld langer leven in de toekomst.

De Onderwijsraad betreurt het dat leerlingen van verschillende maatschappelijke achtergronden en onderwijsniveaus elkaar steeds minder op school treffen waardoor het onderwijs tekortschiet in het bevorderen van sociale cohesie.

Was het vroeger beter?

Wie de redeneringen van Onderwijsraad op dit punt volgt, moet de veronderstelling accepteren dat deze zaken ‘vroeger’ beslist beter waren. Als je nu constateert dat er steeds minder brede scholengemeenschappen onder één dak zijn, steeds minder brede brugklassen worden aangeboden en dat differentiatie in onderwijssoorten doorgeschoten is, dan zeg je ook iets over het onderwijsverleden, toen dat allemaal anders of beter was. Is dat wel zo?

Als historicus vind ik het op zichzelf verheugend dat in het advies een heel katern is opgenomen over de onderwijsgeschiedenis. Maar geschiedschrijving is meer dan een opsomming van feiten, al moeten die feiten wel goed worden weergegeven. De weergave van het onderwijsstelsel van na de Mammoetwet is helaas nogal oppervlakkig. Zo wordt bijvoorbeeld niet vermeld dat binnen het lager beroepsonderwijs en het mavo destijds op verschillende niveaus examen gedaan kon worden. Op het lbo op B- en C-niveau (soms ook een enkel vak op D-niveau), op de mavo op C- en D-niveau. Die verschillende niveaus zijn nu vertaald in vmbo-basis, -kader en -gl/tl. Bovendien kende het mbo van destijds ook een driejarige havo-mbo-opleiding die voorbereidde op instroom in het hbo, het zogeheten vhbo: afgeschaft bij de roc-vorming in 1996. Per saldo kent het huidige stelsel dus niet meer differentiaties dan in de jaren zeventig, tachtig.

Ook is het niet zo dat er destijds meer brede scholengemeenschappen waren, met leerwegen van mavo, havo en vwo onder één dak. Scholen voor lbo en mavo waren doorgaans categoraal. Havo en vwo werden meestal wel onder één dak gegeven, omdat dit onderwijs voortkwam uit de oude hbs.

Bestonden er veel meerjarige brede brugklassen in die tijd? Een beperkt aantal besturen was voorstander van de middenschoolgedachte: leerlingen van verschillende achtergronden samen naar school laten gaan tot ongeveer hun vijftiende. Pas daarna zou dan uitstroom naar verschillende niveaus plaatsvinden. Deze opzet werd gepromoot door PvdA-minister Jos van Kemenade. De meeste scholen hielden echter vast aan een éénjarige brugperiode met hooguit twee niveaus.

De periode-Ritzen

Fusies van scholen voor vmbo, havo en vwo zijn vooral iets van de jaren negentig, toen minister Jo Ritzen (PvdA) bestuurlijke schaalvergroting afdwong, vaak tegen de zin van de afzonderlijke scholen. Schaalvergroting en lumpsumfinanciering gingen hand in hand. Inderdaad zijn er toen kortstondig meer brede scholengemeenschappen op één locatie ontstaan.

Maar rond 2000 ontwikkelde zich ook het denken in onderwijsrendementen, wat opbrengstgericht onderwijs ging heten. Daarover staat verrassend genoeg in het rapport van de Onderwijsraad vrijwel niets. Terwijl juist deze manier van denken de belangrijkste verklarende factor is voor de verschijnselen die aan de kaak worden gesteld: te grote nadruk op selectie, te weinig kansen om door te stromen.

Scholen werden nu namelijk afgerekend op zittenblijven en afstroom naar een lager niveau. Doorstroomsnelheid en diplomazekerheid werden leidend. Eindadviezen van het basisonderwijs moesten bij voorkeur eenduidig zijn, dus vmbo (in soorten) of havo of vwo. Gemengde adviezen betekenden een opbrengstrisico als het hogere advies niet werd gehaald. In de media verschenen ranglijstjes van scholen met de hoogste opbrengsten. Deze armoedige manier van denken over onderwijskwaliteit werd bestuurlijk verankerd. Dus: scholen zochten oplossingen om zittenblijven en afstroom zo veel mogelijk te voorkomen. Wat bleek: bij categoraal georganiseerde scholen neemt de kans op afstroom af en kan beter worden gewerkt aan een positief onderwijsprofiel. Opbrengstgericht werken en schoolmarketing gingen hand in hand. Op de gevel prijkt soms het percentage geslaagden. Maar niet het percentage voortijdig afgestroomde leerlingen.

Risicomijdend onderwijs gaat inderdaad ten koste van leerlingen uit achterstandssituaties, of leerlingen die vanwege hun etnische achtergrond langer nodig hebben om op hun eindniveau te komen. Om de kansen van die leerlingen te bevorderen hoeft het onderwijsstelsel niet op de schop, maar moet het eenzijdige opbrengstgerichte denkframe worden vervangen. Inmiddels zijn de toetsingskaders van de inspectie op dit punt gelukkig enigszins aangepast en zien we meteen weer lichte stijging van het percentage doorstromers.

Nederland steeds hoger opgeleid

Ook de argumentatie rond de toename van kansenongelijkheid hapert. Ondanks de belemmeringen die het opbrengstgerichte werken opwerpt voor de doorstroom, lijkt de kansengelijkheid eerder toe dan af te nemen. Voor alle groepen geldt immers dat het onderwijsniveau licht stijgt. De Onderwijsraad laat deze cijfers wel zien, maar concludeert ten onrechte dat de kansengelijkheid afneemt. We hebben de ergste periode van belemmeringen rond doorstroming naar een hoger niveau achter de rug.

Opvallend is dat het mbo de klappen heeft opgevangen. Dus: afstroom van bijvoorbeeld havo werd opgevangen door het mbo, wat vervolgens weer kon leiden tot opstroom naar het hbo.

Op het hoogste niveau van het mbo (bol 4) zijn bovendien zowel leerlingen toelaatbaar met zowel een vmbo-tl- als een vmbo-kader-achtergrond. Die kaderleerlingen stellen het mbo voor een grote opgave, omdat ook deze groep aan de terecht weer aangescherpte eisen voor taal en rekenen moet voldoen. Ook zij kunnen immers doorstromen naar het hbo (circa 10 procent doet dat). Daarmee heeft het mbo een belangrijke emancipatorische functie in het onderwijsstelsel. De Onderwijsraad constateert echter dat het percentage doorstromers van mbo naar hbo de afgelopen tien jaar is gedaald van 39 naar 35 procent. Een analyse van die teruggang ontbreekt. Van invloed kan zijn dat er alweer een aantal jaren achter elkaar sprake is van een krappe arbeidsmarkt waardoor afgestudeerde mbo’ers snel een baan kunnen vinden. Bekend is dat ook de invoering van het leenstelsel een reden is om niet naar het hbo te gaan, vooral voor leerlingen met laagopgeleide ouders. Ook hier lijkt de afname van de emancipatorische mogelijkheden van het onderwijsstel gewoon een gevolg van politieke keuzes.

Haperende adviezen en politieke keuzes

De Onderwijsraad analyseert niet alleen, maar geeft op basis hiervan ook adviezen aan de politiek. Als de analyse hapert, dan is het raadzaam voorzichtig te zijn met de uitvoering van een aantal van die adviezen. Op basis van de gebruikte cijfers zou je namelijk ook heel goed kunnen concluderen dat gemiddeld genomen het Nederlandse onderwijsstelsel nog steeds bijdraagt aan sociale stijging via diploma’s. Gelet op de beleidsmatige druk op scholen om op safe te spelen, vallen de resultaten namelijk mee. Ook de deelname aan het hoger onderwijs van leerlingen met een niet-westerse achtergrond vertoont een stijgende lijn.

Maar: de Raad wil het stelsel ter discussie stellen en spreekt een voorkeur uit voor meer scholen voor 10- tot 14-jarigen, een variant op de middenschool. Op een aantal scholen wordt hiermee geëxperimenteerd. Evaluaties ontbreken nog. Uitstel van de niveaukeuze kan voor sommige leerlingen heel goed zijn. Voor andere leerlingen niet. Sommige leerlingen laten namelijk op de verschillende Cito-toetsen vanaf groep 6 tot en met 8 een divers beeld zien. Soms voor begrijpend lezen een C dan weer een B of zelfs een A etc. Er zijn ook leerlingen die vrij eenduidig A, A+ scoren. Hier zou je juist de voordelen van ons gedifferentieerde schoolsysteem kunnen benutten door op basis van het meerjarige leerlingvolgsysteem genuanceerde adviezen te geven. Zijn we meteen van het verkeerde accent op de laatste Cito-toets in groep 8 af. Bij een onduidelijk beeld moet er de mogelijkheid zijn om bijvoorbeeld twee jaar over de brugperiode te doen, wat voor anderen geen voordeel oplevert.

Moeten scholen van overheidswege worden gedwongen om op één campus vmbo, havo en vwo aan te bieden? Een dergelijke vergaande en dure stap vereist echt meer onderzoek naar de ervaringen op dergelijke mammoetscholen. En naar de redenen waarom veel scholen de afgelopen tijd dit model de afgelopen jaren hebben losgelaten. Het is bovendien een illusie dat hoog- en laagopgeleiden elkaar in het verleden vaker in het voortgezet onderwijs tegenkwamen. Wel is in grote steden het fenomeen van ‘zwarte scholen’ ontstaan en is er in toenemende mate vanaf de voorschoolse opvang sprake van sociale segregatie. De Raad constateert dit wel, maar gaat niet echt op deze specifieke problematiek in.

Beroepsgericht eindexamenvak

De Raad adviseert verder om het onderscheid tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs te vervagen door het toevoegen van een beroepsvak aan het vmbo-tl, havo en zelfs het vwo. Het onderscheid tussen vmbo-gl en -tl zou hierdoor kunnen verdwijnen. Daar is iets voor te zeggen omdat de meeste tl-leerlingen doorstromen naar het mbo en dus een beeld moeten krijgen van de vervolgberoepsstudies. Maar moet dat met een beroepsgericht eindexamenvak? Voldoet het recent ingevoerde vak loopbaanoriëntatie niet? Bovendien krijgen tl-leerlingen binnenkort het recht om door te stromen naar het havo. En leerlingen van het havo naar het vwo. Moet dan de algemeen vormende component niet worden versterkt? En vooral: de studie-, lees- en rekenvaardigheden? De in de bijlagen van het advies toegevoegde PISA-scores laten een structureel dalende trend zien voor begrijpend lezen, rekenen, natuurwetenschappen en wiskunde. Die daling is alarmerend en vraagt om een gedegen analyse van de oorzaken.

Ten slotte pleit de Onderwijsraad voor inbedding van permanente educatie in het onderwijsstelsel. Daar kan niemand tegen zijn. Maar wat moet de overheid hier precies doen? Is er juist op het gebied van post-mbo-, hbo- en w.o.-cursussen niet een bloeiende, niet-gereguleerde onderwijsmarkt ontstaan? Bedrijven en sectoren ontwikkelen zelf een scholingsaanbod, al dan niet in samenwerking met gesubsidieerde onderwijsinstellingen. Welk probleem moet de overheid hier oplossen?

Stelselherziening of maatwerk binnen het stelsel?

In het onderwijs komt het nogal eens voor dat uitvoeringsproblemen worden vertaald in nieuw onderwijsbeleid waarbij het de vraag is of het echte probleem wel wordt opgelost. Het stelsel, het onderwijskundige model of de didactiek: alles moet anders. Terwijl er vaak eenvoudige oplossingen denkbaar zijn.

Eén voorbeeld. De Raad constateert dat de doorstroming van vmbo naar vwo nauwelijks meer voorkomt. Dat is juist. Dat kan ook betekenen dat er weinig behoefte meer aan een dergelijke leerweg is. Maar als er wel degelijk leerlingen zijn die belemmerd worden in hun ontplooiingsmogelijkheden, moeten we om dat te verhelpen het onderwijsstelsel aanpassen? Stromen dergelijke laatbloeiers niet door in het tweedekansonderwijs (vavo)? Die cijfers ontbreken.

Zijn er maatregelen genomen die onbedoeld belemmerend uitwerken? Bij de invoering van de zogeheten tweede fase in het voortgezet onderwijs is het alleen nog maar mogelijk zonder wiskunde het diploma te halen in het havo-cultuurprofiel. Een tl-leerling zonder wiskunde heeft daardoor sowieso weinig kans om door te stromen. Op het vwo is wiskunde ook verplicht in het cultuurprofiel. Daarvoor is het vak wiskunde C bedacht, oorspronkelijk bedoeld als een soort basiswiskunde voor alfa’s, maar inmiddels een struikelblok voor leerlingen die havo hebben gedaan zonder wiskunde. Op het vmbo-tl kun je je diploma halen zonder tweede moderne vreemde taal. Op het havo kan dat ook, maar op het vwo weer niet. Behalve als je voor een exact profiel kiest, dan kan een vmbo’er zonder Duits of Frans ontheffing aanvragen voor de tweede moderne vreemde taal als hij/zij kan aantonen een ‘eenzijdige bèta’ te zijn.

Waarom bestaat er geen generieke ontheffingsmogelijkheid, ook voor dergelijke tl-leerlingen die een cultuur of economische profiel kiezen? Waarom moet iedere alfa op het vwo wiskunde doen? Dat hoefde in het verleden, voor de invoering van de tweede fase ook niet, en was de redding voor heel wat slimme laatbloeiers die goed waren in talen, geschiedenis of andere mooie vakken, maar nachtmerries kregen van wiskunde. Daarmee doen we recht aan de wens om te voorkomen dat dergelijke eisen leiden ‘tot onnodige blokkades voor leerlingen voor wie het wetenschappelijk onderwijs cognitief haalbaar is maar juist dit ene facet blokkerend kan werken’, aldus toenmalig staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) in 2014. Vroeger zat het onderwijsstelsel op dit punt inderdaad beter in elkaar.

Jan Drentje is rector voor een school voor volwassenonderwijs en docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Groningen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Jan Drentje