CPB is bezorgd over scheve groeiverdeling

Kloof op arbeidsmarkt Ondanks de hogere energieprijzen stijgt de koopkracht, verwacht het Centraal Planbureau. Daar is lang niet alles mee gezegd.

Volgens het Centraal Planbureau heeft „slechts een minderheid” van de werkenden gekozen voor een flexbestaan.
Volgens het Centraal Planbureau heeft „slechts een minderheid” van de werkenden gekozen voor een flexbestaan. Foto Michiel Wijnbergh

Economische groei – mooi, maar profiteert de burger er ook van? En zo ja, alleen wie rijk is, of ook de lagere inkomens? Het zijn vragen die sinds de financiële crisis met regelmaat gesteld worden. Lonen blijven achter, terwijl bedrijfswinsten en vermogens aanzwellen en dat leidt tot onvrede. Denk aan de door de econoom Thomas Piketty aangezwengelde discussie over inkomens- en vermogensongelijkheid. Maar ook aan de ophef die vorige maand ontstond omdat het ministerie van Economische Zaken en Klimaat de stijging van de energierekening veel te laag had ingeschat. De burger, wiens loon amper stijgt, moet weer extra betalen, zo klonk door in de kritiek in onder meer politiek Den Haag.

De jongste economische analyse van het Centraal Planbureau is doortrokken van dit soort onbehagen over de economie. Het Planbureau ziet zich in het zogeheten concept Centraal Economisch Plan genoodzaakt te reageren op de discussie over de hogere energieprijzen – hebben die de koopkracht geraakt? Daarnaast heeft het CPB – meer bekend als cijferaar dan als maatschappelijk beschouwer – het ditmaal niet alleen over economische groei, maar ook over „het welbevinden van de Nederlanders”. Dat kan onder druk komen te staan door het groeiende aantal kwetsbare flexwerkers, denkt het CPB.

Eerst de koopkracht. Die stijgt wel degelijk, staat in de CPB-raming, met 1,6 procent dit jaar en met 1,3 procent volgend jaar, ondanks de hogere energiekosten. Het is zelfs een fractie meer dan het CPB nog met Prinsjesdag voorspelde. In het persbericht stelt het CPB zelf de vraag: ‘Zijn de meest actuele energieprijzen in de koopkrachtcijfers meegenomen?’ Ja, is het antwoord. De actuele energieprijzen zitten in de inflatieraming (2,3 procent in 2019, 1,4 procent in 2020) en dat is een van de bepalende factoren voor de koopkracht. Maar er zijn meer dingen die de koopkracht beïnvloeden. De lonen stijgen meer dan de inflatie, met 2,7 procent dit jaar en met 2,3 procent volgend jaar, voorspelt het CPB. Die loonstijging is historisch gezien nog steeds laag, maar het kabinet helpt de koopkracht ook een handje met belastingmaatregelen, waaronder een korting voor iedereen op de inkomstenbelasting.

Koopkrachtkloof

Opvallend is wel dat lage inkomens er het minst op vooruit gaan. Mensen die minder dan 115 procent van het minimumloon verdienen, krijgen er dit jaar maar 1,1 procent bij en volgend jaar maar 0,8 procent. Dit komt onder meer door de invoering van het belastingstelsel met twee in plaats van vier schijven, die voor lage inkomens ongunstig uitpakt.

Zo wordt een trend voortgezet die het Nederlandse koopkrachtplaatje na de crisis heeft gekenmerkt: lagere inkomensgroepen gingen er minder op vooruit dan hogere inkomensgroepen. Mensen die minder verdienen dan 180 procent van het minimumloon kregen er sinds 2009 maar ietsje aan koopkracht bij (2 à 3 procent), hogere inkomensgroepen een stuk meer (6 à 8 procent), laat het CPB zien.

Dat zou je een groeiende kloof kunnen noemen: armere Nederlanders profiteren minder van de economische groei dan de middenklasse en dan de rijken. Het CPB neemt nog een kloof waar, eentje die daarmee verband houdt. Dat is de groeiende kloof tussen laag- en hoogopgeleiden op de arbeidsmarkt. Het zijn vooral laagopgeleiden die minder vaak in vaste dienst zijn gaan werken. Die groeiende groep laagopgeleide flexwerkers en zzp’ers is in een volgende recessie het kwetsbaarst, meent het Planbureau. Overigens voorziet het CPB zo’n recessie nog niet.

Mensen met een flexibel arbeidscontract hebben een grotere kans om werkloos te worden, schrijft het CPB. Hun kans op armoede is drie keer zo hoog als bij mensen in vaste dienst, zo bleek uit eerder CPB-onderzoek. Zzp’ers – die gemiddeld toch al minder verdienen – zien hun inkomen in recessietijd sneller teruglopen als er plots geen opdrachten meer komen.

Nergens in Europa nam het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie (tijdelijke contracten of zzp-constructie) de voorbije jaren sneller toe dan in Nederland. Onder laagopgeleiden ging het het snelst. In 2003 had 26 procent van de laagopgeleide werkenden een flexibel contract of was zzp’er, nu is dat 45 procent. Onder hoogopgeleiden steeg dit percentage van 20 naar 29. Flexwerkers vormen een diverse groep, met daarbinnen ook veel mondige lieden die bewust afzien van een vaste baan. Maar volgens het CPB heeft „slechts een minderheid” van de werkenden gekozen voor een flexbestaan.

Daaruit trekken de CPB-auteurs een ongemakkelijke conclusie: „Door de toegenomen flexibilisering van de arbeidsmarkt zijn de negatieve gevolgen bij een volgende neergang ongelijker verdeeld.”

Levensvoldoening

Zo komen de economen van het CPB bij dat meer psychologische woord ‘welbevinden’. Nu nog gaat het daar goed mee, stellen ze, verwijzend naar indicatoren over ‘vertrouwen in de toekomst’ en ‘levensvoldoening’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Europese Commissie. „Maar bij een recessie kan de tevredenheid snel afnemen”. Lageropgeleiden, die toch al minder vertrouwen in de toekomst hebben, krijgen bij een recessie een nieuwe klap. „De toegenomen verschillen tussen groepen op de arbeidsmarkt kunnen ertoe leiden dat bij een nieuwe crisis het effect op het welbevinden van mensen groter zal zijn.”

Het CPB verbindt daar ook politieke conclusies aan: het pleit voor „maatregelen die de lusten en lasten van flexibele arbeid gelijker verdelen”. En het geeft alvast beleidsadvies voor een nieuwe recessie: het is beter om dan overheidsuitgaven op peil te houden en níét te driftig te gaan bezuinigen en hervormen. „Juist in barre tijden hebben mensen behoefte aan een overheid die bescherming biedt.” Een kil neoliberaal verhaal is het zeker niet.