Opinie

Moeder en boek

Marcel van Roosmalen

Nu ik een groot deel van de columns die ik over mijn moeder schreef heb gebundeld kregen de gesprekken over haar iets onbedoelds therapeutisch. Het besef daalde in dat anderen dan ook iets van onze verhouding mochten vinden. Ik had jaren aan een korstje gepeuterd en nu hingen ze ineens boven het wondje. Sommigen meenden dat het ontstoken was.

En ik maar roepen dat het maar een heel klein wondje was, dat het allemaal niet overdreven moest worden en dat een kleine pleister voldoende was, maar daar ging ik natuurlijk niet over. De patiënt zelf zei desgevraagd dat ze geen noemenswaardige pijn had, maar ook dat hoefde niet waar te zijn.

Ik sprak veel namens haar en beantwoordde vragen als ‘hoelang woont ze nog thuis?’, ‘is ze eenzaam?’, ‘wat vindt ze er zelf van?’ en ‘hou je wel van haar?’

Hoe meer ik mezelf hoorde praten, hoe groter de afkeer van mijn antwoorden.

Gingen wij wel normaal met elkaar om?

En wat is normaal?

Godzijdank hebben andere schrijvers, journalisten en columnisten vaak ook geen gewone verhouding met hun moeder, of ik moet hun werk totaal verkeerd interpreteren. Of ligt dat aan het beroep? Mijn zus, die verpleegster is, en mijn moeder vinden elkaar bijvoorbeeld wel heel normaal.

Vrijdagavond zat ik op een podium in de Haagse bibliotheek naast de schrijver, publicist en imker Mohammed Benzakour, wiens moeder een paar jaar geleden een beroerte kreeg.

Hij zei: „We verloren de gesprekken, maar ik kreeg er lichamelijke intimiteit voor terug. Ik masseer haar voeten en haar oorlelletjes.”

De tegenstelling tussen ons had niet groter kunnen zijn, maar het bleef wel hangen.

Toen ik mijn moeder gisteren belde, ook omdat er een afspraak moest worden gemaakt met een fotograaf die ons samen wilde fotograferen voor de krant, vroeg ik: „Vind jij dat we te weinig intiem zijn? Wij raken elkaar zo weinig aan.”

Zij: „Wat bedoel je?”

Ik begon over het masseren van haar voeten, over de oorlellen zweeg ik.

„De thuiszorg doet mijn lichaam”, zei mijn moeder. „En ik ga ook naar de pedicure, iedere week. Dus alsjeblieft niet. Je kunt toch ook helemaal niet masseren?”

Daarna: „En ik ga niet op de foto als jij me masseert!”

Weer een misverstand.

Ergernis bij mij omdat zij dan denkt dat ik dat zou willen.

Ik: „De fotograaf zegt dat het een normale foto wordt en dat je een afdruk krijgt. Die kun je dan ophangen.”

Zij, inmiddels gelouterd: „Dat zeggen ze allemaal, toch?”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.