Recensie

Caruso a Cuba is een gloedvol pleidooi voor de toekomst van opera

Opera Veel is geweldig aan ‘Caruso a Cuba’, de nieuwe opera van Micha Hamel. Het libretto is soms warrig, maar de muziek en de cast zijn meeslepend.

In ‘Caruso a Cuba’ valt de schone Aida (sopraan Jeanine De Bique) voor de legendarische tenor Enrico Caruso (Airam Hernández) die op dat moment in Havana is voor een opvoering van Verdi's ‘Aida’
In ‘Caruso a Cuba’ valt de schone Aida (sopraan Jeanine De Bique) voor de legendarische tenor Enrico Caruso (Airam Hernández) die op dat moment in Havana is voor een opvoering van Verdi's ‘Aida’ Foto Monika Ritters

Tot de vele dingen die geweldig zijn aan Caruso a Cuba, de nieuwe opera van dichter en componist Micha Hamel, behoort het uitgangspunt. De legendarische tenor Enrico Caruso is in Havana, waar hij de hoofdrol zingt in Verdi’s Aida. Dan gaat er een bom af in het theater. In de chaos loopt hij een lokale schone tegen het lijf die Aida heet. Ze vluchten en beleven een variant van de gedoemde liefde uit Verdi’s opera. Maar waar Radamès en Aida samen sterven, zijn Aida en Caruso gedoemd elkaar te verlaten. De bomaanslag in Havana is overigens historisch, evenals het feit dat Caruso korte tijd zoek was.

Caruso a Cuba is een van de nieuwe producties die deze week te zien zijn in het Opera Forward Festival van De Nationale Opera. En hoewel Hamel nadrukkelijk terugkijkt – de Verdi- en Puccini-parafrases vliegen je om de oren – is de voorstelling een gloedvol pleidooi voor de toekomst van het genre.

Lees ook het interview met Micha Hamel: ‘Muziek blijft een raadselachtig verschijnsel dat meer geheimen bewaart dan onthult’

Centraal in het decor bevindt zich een grote schijf, verwijzend naar Caruso’s status als eerste grote ster van het opnametijdperk. In de virtuoze openingscollage klinken flarden Verdi uit de orkestbak en zingt de historische Caruso de aria ‘Celeste Aida’. Aida smelt bij het horen van zijn stem. Haar peetoom, de Lukumi-priester Calazán, heeft hun noodlot al voorspeld. De bomexplosie vormt een vroeg hoogtepunt: fragmentarisch, in slow motion, benaderd vanuit de desoriëntatie na de knal.

Spirituele laag

Hamel is sinds zijn komische operette Snow White (2008) een overtuigd eclecticus. Aanvankelijk lijkt Caruso a Cuba ook zo’n flitsend montagekunststuk te worden, met veel stijlwisselingen en slapstick – Caruso’s heldenaria ‘Io canto nell’opera’ is erg geestig, evenals het uitgecomponeerde blijven-hangen-van-de-naald. Maar overall is de toon ditmaal duisterder, er is een spirituele laag (Hamel heeft zich uitgebreid verdiept in de Cubaanse Lukumi-religie) en de compositie is hechter: de toegankelijke Verdi-muziek van de opening wordt allengs weerbarstiger en werkt toe naar een desolaat, schril fluitend slot.

Niet helemaal geslaagd is het libretto, dat Hamel zelf schreef (in het Italiaans) op basis van een roman van de Cubaanse Mayra Montero. Het Lukumi-ritueel dat een centrale rol heeft blijft vaag (al is het een muzikaal ijzersterke, obsessieve kakofonie), en als mogelijk commentaar op Verdi’s oriëntalisme komt het niet uit de verf. Belangrijke motieven als Caruso’s paranoia (de maffia perst hem af) en verlangen naar Napels doen wat obligaat aan. De verwarring is dramaturgisch niet steeds effectief.

Dat je je desondanks gewonnen geeft ligt behalve aan Hamels frisse en veelzijdige muziek en de chemie van het geheel vooral aan de beide hoofdrollen: die zijn overrompelend goed. Je zou Airam Hernández knikkende knieën toedenken, maar ogenschijnlijk moeiteloos vult hij de schoenen van de grootste tenor uit de muziekgeschiedenis: warm, kleurrijk en met ziedende topnoten. Sopraan Jeanine De Bique uit Trinidad (Aida) is een openbaring. Toen ze vorig jaar in Amsterdam inLa clemenza di Tito zong leek haar stem aan de kleine kant, maar in de intiemere schouwburgzaal klinkt ze van begin tot eind adembenemend. Ook de rest van de cast is uitstekend, evenals het Nederlands Kamerorkest onder Otto Tausk.