Opinie

Vergeten koninkrijk

Wat is het toch een straf om als schrijver in een klein, betekenisloos land geboren te zijn. Een bagatel aan de Noordzee. Neem hem voor de verandering eens letterlijk, die zin ‘de grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’, en je begrijpt waarom de Nederlandse romanschrijver zo’n beklagenswaardig schepsel is. Opgesloten binnen nauwe grenzen, opgezadeld met bleek, waterkoud drama – „en nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld / En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.” Nederland: een comfortabel gecapitonneerde nationale ruimte, beveiligd als een isoleercel. Je kunt er niemand laten verdwalen, je kunt er geen lijk verdonkeremanen, je kunt aan het eind van het verhaal niet fluitend de horizon tegemoet. Geen passie, geen mysterie, geen mystiek.

Gerard Reve ging uit arren moede in het Engels schrijven om zich van de Hollandse conditie te bevrijden, en dat sentimentele katholicisme van hem, met die Latijnse Mariaverering, leek al net zo’n ontsnappingspoging. Tevergeefs. Hij schreef: „Als je denkt aan bijvoorbeeld een klassiek thema: een meisje, dat naar de grote stad trekt en daar tragisch ten onder gaat. In Frankrijk of Amerika kan dat. Zelfs in de grootste nood zou hier de heldin hoogstens een tientje hoeven te lenen om ’s middags naar huis af te reizen en zo niet voor het avondeten, dan toch voor het nieuws van elf uur weer thuis te zijn. Een typisch a-literair land.”

Tolstoj had een immens rijk achter zijn gat, Nescio kwam niet verder dan Rhenen.

Een schrijver in Nederland: Napoleon op Elba.

Onze schrijvers verkiezen vrijwillige ballingschap in de Eifel, Sint Petersburg, Syracuse, Genua en New York boven het noodlot in Nederland te moeten schrijven over Nederlandse onderwerpen. Bourgeoisliteratuur voor een bourgeoispubliek, in een land zonder grote cultuur, waar je voor een beetje bloeddorstige glorie vierhonderd jaar terug moet. Muffe heldendaden, bedekt met het spinrag van de slaapverwekkende eeuwen die volgden.

In exil voeden de schrijvers zich met ruimte, met avontuur en cultuur, met Slavische weeklachten en Mediterraan licht, maar de rek van het elastiek is eindig: aan het eind van het liedje moeten ze toch weer naar huis terug om hun boeken aan de man te brengen.

Het is thuiskomen van een koude kermis: nergens in West-Europa voltrekt de ontlezing zich in zo’n verwoestend tempo als hier; er groeit een hele generatie op in huizen zonder boeken. Openbare bibliotheken verdwijnen en schoolbibliotheken verschralen door gebrek aan budget.

Het is altijd een schok terug te keren naar een land met zoveel dédain en onverschilligheid over de eigen taal. We zouden het Nederlands het liefst onmiddellijk vervangen door het Engels. De eigen taal is een obstakel, een onpraktisch anachronisme. Alsof we ons ervoor schamen – waarom zouden we ons interesseren voor de taal en de cultuur van een land waar verder niemand in de wereld zich voor interesseert?

Bij de Vrije Universiteit in Amsterdam is deze week de studie Nederlands (eigenlijk: bachelor Taal en Samenleving, ha ha) bij het oud vuil gezet omdat er geen belangstelling meer voor was. Met de geringschatting voor de literatuur waren we al vertrouwd, de minachting voor de taal en haar geschiedenis komt daar nu nog bij.

Het besluit van de VU staat voor iets groters: de algemene afkeer van wie we zijn en de taal waarin we dat tot uitdrukking brengen. Holland schafft sich ab. Over het verdwijnen van de nationale vogel de grutto maken we ons drukker dan over het verdwijnen van onze taal en, op termijn, onszelf. Onze innerlijke dood heet cultuurarmoede, de dood van buiten wordt voorspeld door meteorologen, de Nostradamussen van onze tijd, die zich niet afvragen óf maar wanneer we Nederland zullen moeten prijsgeven aan het water.

Na de vloed, gereduceerd tot een landje ter grootte van Kosovo, zullen we de Duitsers beleefd verzoeken ons te accepteren als zeventiende deelstaat. Aan een vergeten koninkrijkje tegen de Duitse westgrens herinnert een overzichtelijk museum langs de Rijnoever in Arnheim.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.