Demonstratie in maart 1989 in Den Haag tegen het boek De duivelsverzen van Salman Rushdie.

Foto Leo van Velzen

‘Moslims nu zijn in staat tot relativering’

Abdulwahid van Bommel Imam

Toen dertig jaar geleden de Rushdie-affaire losbarstte, werd imam Abdulwahid van Bommel ineens de spreekbuis van de Nederlandse moslimgemeenschap. Inmiddels hoeft dat niet meer. „Het was een ongelooflijke nachtmerrie.”

Deze maand dertig jaar geleden vonden anti-Rushdie-betogingen plaats in Den Haag en Rotterdam. Vooral de demonstratie in de Rotterdamse binnenstad zorgde voor veel ophef, toen betogers opriepen de schrijver Salman Rushdie te vermoorden vanwege zijn roman De duivelsverzen die voor moslims beledigend zou zijn. Boekhandelaren voelden zich genoodzaakt het boek onder de toonbank te verkopen, de uitgever en vertaler werden met de dood bedreigd.

Imam Abdulwahid van Bommel (75) vindt het nog altijd verbazingwekkend als hij terugkijkt. De eigenzinnige geestelijke, die zich in 1967 bekeerde tot de islam, groeide in die periode uit tot een van de vaste sprekers over de zaak-Rushdie. We spreken elkaar in zijn woonkamer, in Hilversum, over de woede van destijds om een boek „ dat aanvankelijk alleen in het Engels verkrijgbaar was, en bovendien nauwelijks werd verkocht”, zegt Van Bommel, die het boek als „boekenfreak” wel had gelezen. „Mijn interpretatie toen was: Rushdie heeft een weg gekozen om aandacht te krijgen, wat niet zo welwillend van mij was. Maar verder had ik er niet veel gewicht aan gegeven.”

Oranjegeverfde baard

Begin ’89 was Van Bommel in Engeland, waar de Rushdie-affaire begon. „Ik was uitgenodigd voor een workshop over islamitisch onderwijs, in Cambridge. Het was rond dezelfde periode dat Rushdie in aanmerking kwam voor de Man Booker Prize. Toen bleek iemand in een moskee in Bradford, een Pakistaan met zo’n oranjegeverfde baard, uit het boek te hebben voorgelezen. Het was een totaal verkeerde setting, moskeegangers zagen het meteen als een oproep om af te rekenen met de ‘vijand van de islam’. Het was pure emotie en hysterie, en let wel, niemand had het boek gelezen, al wisten sommige Britse imams wel om welke passages het ging.”

Van Bommel kon toen nog niet bevroeden hoe diep de woede zat. „Zo’n baasje in een moskee heeft zich daarover opgewonden en daar blijft het bij, dacht ik.” Bij terugkomst in Nederland bleek de vlam te zijn overgeslagen. „Stonden hier plotseling ook figuren in soepjurken met megafoons te roepen dat Rushdie dood moest. Het leek uit het niets te komen, want die lui vertegenwoordigden geen organisatie of moskee. ”

Vooral de fatwa van ayatollah Khomeini was voor Van Bommel „een ongelooflijke nachtmerrie. Je kunt geen duistere middeleeuwse methode loslaten op een hedendaagse auteur die een fictief boek schrijft en daarmee misschien een zenuw raakt van gelovigen. Het blijft een verzonnen boek.”

Buitenstaander

In de moslimgemeenschap drong maar langzaam door wat voor impact de demonstraties en de fatwa hadden op de samenleving. Er werd een reactie verwacht van moslims, maar die bleef lang uit. „Dus werd ik benaderd door een journalist om te reageren, kennelijk stond ik op een adressenlijst. Maar ik dacht: een Nederlander moet hier geen antwoord op geven, dat komt niet geloofwaardig over.” Een Marokkaan of Turk moest dat doen, vond hij, en hij vroeg dan ook een aantal collega’s om op te treden. „ Maar niemand kende het boek, ze wisten niet waar het over ging. ”

Vanwege de toegenomen spanningen in het land werd Van Bommel door verschillende moslimorganisaties aangewezen als officieuze woordvoerder. Niet veel later was Van Bommel de talking head namens de gemeenschap. „ Ik moest allerlei misverstanden uit de weg ruimen. Dat Khomeini niet een soort moslimpaus was, dat de fatwa feitelijk helemaal geen geldigheid had, dat soort dingen. Maar ik bleef in de ogen van critici die Nederlander, een buitenbeentje, de uitzondering. Jan Blokker noemde mij destijds de Ollie B. Bommel van de islam. Dat beschouwde ik dan maar als een eer.”

Het betekende niet dat Van Bommel op handen werd gedragen door de moslimgemeenschap. „Toen ik in een interview had gezegd dat ik me niet wenste te onderwerpen aan middeleeuwse methoden zoals boekverbrandingen, werd ik door een Marokkaanse moskee in Amsterdam op het matje geroepen. Ze vonden dat ik te lichtzinnig omging met het ‘godslasterlijke’ karakter van het boek.” Hij werd ook door de Saoedische ambassade ontboden, waar een delegatie uit Mekka om tekst en uitleg vroeg. „Ik probeerde uit te leggen wat een roman was, wat vrijheid van meningsuiting betekende in het Westen, maar dat was domweg niet begrijpelijk of inzichtelijk te maken. Ze bleven met starre gezichten naar me staren. Hun oordeel: jij hebt moslims beledigd, en daarmee ook God.” Deze serieuze aantijging had verder geen gevolgen, „want ook voor hen was ik een buitenstaander”.

Islamkritiek

Volgens Van Bommel beseffen moslims sinds de Rushdie-affaire dat zij een cultuur en religie vertegenwoordigen die in Nederland als een anachronisme wordt beschouwd. Ze zijn hier terechtgekomen op het moment dat het land in rap tempo seculariseerde. „Om je in die omgeving na een halve eeuw nog altijd te kunnen handhaven als gelovige is eigenlijk een prestatie op zich. Maar je moet wel om kunnen gaan met botte en grove beledigingen, ook als het om religie gaat.”

Is de moslimgemeenschap sinds de Rushdie-affaire beter bestand tegen kritiek op de islam? Het incasseringsvermogen is „ietsjes toegenomen”, zegt Van Bommel voorzichtig. „Er is inmiddels een nieuwe voorhoede ontstaan . Mensen als Nourdin El Ouali en Cemil Yilmaz [van de partij NIDA, red.] bijvoorbeeld, die kom je steeds meer tegen in het publieke debat, zij gaan ook echt met goede argumenten het debat aan . Dan zie je juist dat islamcritici zijn blijven hangen in de halsstarrigheid van toen.” Hij heeft zijn hoop gevestigd op deze nieuwe generatie moslims, die de cultuur en de omgangsvormen in Nederland veel beter kent dan de eerste generatie. „Ze zijn in staat tot zelfrelativering en humor .”

Maar toch, voegt van Bommel eraan toe, is er maar „één gek nodig” om de situatie te doen ontvlammen. „Die imam in Bradford destijds, maar ook de Deense cartoons in 2005, die eerst nauwelijks reacties uitlokten, tot een imam het alsnog nodig vond om met een koffertje cartoons naar het Midden-Oosten af te reizen. Zo’n onruststoker zorgt voor meer schade aan de gemeenschap dan welke belediging ook.”