Roger Neve

‘We staan op dezelfde manier in het leven, Pia en ik’

Dubbelinterview Pia de Jong en Robbert Dijkgraaf wonen sinds zeven jaar in Princeton. Laatst vroeg een van hun kinderen: hoe konden jullie ons in Nederland laten opgroeien? „Dat kunnen we eigenlijk niet uitleggen.”

Robbert Dijkgraaf stoot bijna zijn hoofd als hij opendoet. De bovendorpel van de voordeur is te laag voor zijn lengte. Het huis, van oorsprong een boerderij, is een van de oudste van Princeton. De mensen die het bouwden, moeten klein van stuk zijn geweest.

„Quakers”, zegt hij.

„Om hun geloof verdreven uit Engeland”, zegt Pia de Jong.

„Ze trokken zich terug in de bossen tussen New York en Philadelphia, ver van alle wereldse verleidingen.”

Door de achterdeur zien we het Institute for Advanced Study liggen. Rode baksteen, een witte toren met een koperen spits. Het pad erheen gaat door glooiend grasland. Robbert Dijkgraaf is de directeur, wat betekent dat hij 217 theoretici in de wiskunde, de natuurkunde, de biologie, de historische en sociale wetenschappen in staat stelt te doen waar ze goed in zijn: nadenken. Albert Einstein was here. En J. Robert Oppenheimer, de uitvinder van de atoombom. Freeman Dyson, die van de kwantumfysica, 95 jaar, schuifelt er nog steeds rond.

Robbert Dijkgraaf, theoretisch natuurkundige, gaat koffiezetten. Pia de Jong zit in haar stoel bij de open haard en trekt haar benen onder zich. Dit is haar lievelingsplek, zegt ze. Zo, bij het houtvuur, doet zij haar werk. Columns schrijven, boeken, Charlotte onder andere, over hun dochter die geboren werd met een uitzonderlijke vorm van leukemie en na een jaar spontaan genas. Ze is nu 18.

Van de quakers, die denken dat God in ieder mens is, komen we op Pia’s vader, die dacht dat hij een-op-eencontact met Hem had.

Pia: „Op een dag, ik was nog klein, reed hij met mijn moeder en mijn broers en mij naar Luxemburg, tot we ergens in the middle of nowhere waren. Dit is het, zei hij. Hier moeten we zijn.”

Wat was daar?

Pia: „Niks. Gras. Zijn van God gegeven intuïtie had hem verteld dat het de goede plek voor onze stacaravan was. We zijn er jaren achtereen geweest. Mijn oudste broer had een keer een brandwond die veel pijn deed. Mijn vader maakte een grote wandeling en kwam thuis met de oplossing: een gebedsgenezer.”

Hielp het?

Pia: „Dat was het verwarrende: de pijn verdween.”

Robbert, die binnenkomt met de kopjes: „Magisch denken. Het was magisch denken.”

Pia: „Met Charlotte, toen zij zo ziek was – hij ging naar die plek in Luxemburg en mijn moeder vertelde dat hij heel erg begon te trillen, helemaal van slag. Achteraf was dat het moment waarop Charlotte genezen werd verklaard.”

Robbert: „Hij was ingenieur. Een wonderlijke combinatie van ratio en gevoel.”

Pia: „Die ik, realiseer ik me, ook in me heb. Mijn boek Charlotte heeft in het Engels de ondertitel: A Mother and the Power of Intuition. Dat ik haar mee naar huis nam, geen chemo, geen behandeling, niets, dat was helemaal op gevoel. En mijn vader, hij is overleden vlak voordat we hierheen gingen, in 2012, maar voor mijn gevoel is hij er gewoon nog. Ook zoiets – iemand gaf me foto’s van Charlotte als klein meisje, heel schattige foto’s, en ik had mijn vader aan de telefoon…”

Robbert: „Je was jarig.”

Pia: „Ja, ik was jarig en het sneeuwde, en mijn vader zei: ik voel me niet zo lekker, ik heb pijn in mijn arm. En ik, zo stom, ik had moeten zeggen: ga naar de dokter. Maar ik had toevallig griep en ik zei: ik voel me ook niet lekker, zal ik je foto’s van Charlotte sturen? Ik stuur ze, hij print ze uit en valt zo dood neer, met zijn gezicht op die foto’s. Dat is toch ongelooflijk?”

Mijn vader maakte een grote wandeling en kwam thuis met de oplossing: een gebedsgenezer

Je hebt er het slot van je boek van gemaakt.

„Zijn laatste kus was voor haar.”

Wat schrijf je nu?

Pia: „O, van alles. Ik lees ook veel, nu een boek van een jonge Amerikaanse schrijfster, Louise Hall, over Oppenheimer, maar dan gefictionaliseerd, heel mooi. Ik ben een avond rond haar aan het organiseren. Die man, Oppenheimer…”

Een van Robberts voorgangers.

„Ja. Zijn werkkamer, waar hij zijn atoomgeheimen bewaarde, daar zit Robbert nu.”

Maar wat wilde je zeggen?

„Dat hij enorm werd getreiterd door de overheid vanwege zijn politieke standpunten en Louise Hall kruipt in de huid van de mensen om hem heen, en dan kun je bijna pákken hoe gekwetst hij was, hoe eenzaam.”

Robbert: „Dat is wat literatuur doet. Je laten voelen hoe hij was, hoe hij geleefd heeft. Historische figuren, je denkt dat ze van ander materiaal gemaakt zijn, dat wij in hun nabijheid direct zouden verpulveren, maar dat is natuurlijk niet zo. Oppenheimer was een mens zoals wij. Wij wonen in zijn huis. Hij zou zo binnen kunnen lopen.”

Pia: „Je zou hier geobsedeerd kunnen raken door Trump, of door Melania, desnoods door Ivanka, het is hier één doorlopende vette klucht, en als je niet oppast word je ’s morgens wakker en kijk je meteen” – ze pakt haar telefoon – „wat er nu weer is gebeurd. Alsof je de hele tijd chips zit te eten.”

Robbert, lachend: „Ja, chips. En die hele zak moet leeg.”

Pia: „Maar wat schiet je ermee op?”

Robbert: „Helemaal niets.”

Pia: „De literatuur helpt me een stap terug te doen en te kijken: waar gaat het nou echt om. Dus wat ik probeer…”

Robbert: „Wat jij doet is het kleine dat eigenlijk heel groot is beschrijven. Jij kiest niet het perspectief van de grote structuren, zoals ik, maar van het individu. Jij vangt de reflectie van de wereld in een regendruppel.”

Pia, een beetje verbaasd: „Dat heb ik je nog nooit horen zeggen.”

Robbert: „Maar zo is het. En wat ook zo is: er zijn weinig dingen die zo omvangrijk zijn als het schrijven van een roman en toch door één persoon gedaan worden. Een film maak je met honderden mensen, een gebouw met duizenden. Maar een roman? Wat is er nog meer waar mensen in hun eentje vijf jaar over doen? Of hun hele leven?”

Roger Neve

Een wiskundig vraagstuk oplossen misschien?

Robbert: „De oplossing van een wiskundig probleem verdwijnt niet in de ramsj, wat met de meeste romans wel gebeurt, ook de goede. En je doet het niet alleen. In mijn vak doe je heel veel met elkaar, heel veel praten. Wat ook een verschil is: wij máken niet iets, wij ontdékken iets, al is daar wel discussie over. Zoals ik het zie, lopen we in de woestijn en graven we naar iets wat er al ís. Heel prettig.”

Je denkt nooit: ik heb de verkeerde schepjes?

Robbert: „O, zeker. En waar graaf je? Ben je op de goede plek?”

Wat wil je ontdekken?

„Hoe de wereld in elkaar zit.”

En concreter?

„Concreet denken we dat ruimtetijd” – een vierdimensionale structuur waarin de drie ruimtedimensies samen met de tijd zijn geïntegreerd in één model – „een illusie is, niet iets fundamenteels. Wat we zoeken is een wiskundige manier om te beschrijven dat alles om ons heen het resultaat is van een laag eronder.”

Een laag onder Einsteins relativiteitstheorie?

„Die theorie moet het eindpunt van iets zijn, niet het begin. Wij zoeken het begin.”

Het begin van het universum.

„Ja.”

Er zijn verrassend weinig vrouwen in mijn wereld

Waarom gebruiken jullie de wiskunde om dingen te zeggen?

„Wiskunde is de taal van de natuur. Als je mij vraagt hoe ik nadenk over een elektron – is het een deeltje of een golf – dan kan ik daar heel veel woorden voor gebruiken en ze vangen allemaal iets, maar níet de essentie. De essentie is ψ(x).” Spreek uit: psi van x. „Dat ís het elektron. Daar zou het elektron zich in herkennen. Al zijn eigenschappen zitten erin.”

Jammer dat die taal door zo weinig mensen begrepen wordt.

„Maar ik spreek hem. Ik heb hem niet eens hoeven leren. Op school ontdekte ik al dat ik hem beheers. De wiskunde is mijn schepje.”

Heb jij er wat mee, Pia?

Pia: „Eh… eh…. Wat mij interesseert is het metaverhaal. Hoe mensen in Robberts wereld denken, hun queeste naar de oplossing, hun rusteloosheid. Niet zozeer de inhoud.”

Is het een jongensding, Robbert? Of mogen er ook meisjes meespelen?

Robbert: „Ze mogen meespelen, maar er zijn verrassend weinig vrouwen in mijn wereld.”

Hoe kan dat? Denken vrouwen anders?

Robbert: „Het heeft eerder te maken met de geslotenheid van de natuurkundewereld. Toen ik ging studeren, in Utrecht – zo nerdy, vijandig bijna. De vraag is niet: staat die wereld open voor vrouwen, maar: staat die open voor mensen die anders zijn?”

Je bent na je kandidaats gestopt met je studie.

„Om naar de Rietveld Academie te gaan, afdeling vrij schilderen.” Hij grijnst. „Na een jaar ben ik teruggekeerd.”

Pia wijst naar een olieverfdoek aan de wand waarop de torso van een jonge man in een hemd is afgebeeld. „Robbert kan prachtig schilderen. Jammer dat hij het zo weinig doet.”

Jij bent na je kandidaats Nederlands ook gestopt, Pia.

Pia: „Ik wilde schrijven en bij Nederlands zeiden ze dat dat het laatste was wat je moest willen. Ik ben psychologie gaan doen. Robbert en ik kenden elkaar net.”

Robbert: „Als er iets is dat mensen in mijn wereld gemeen hebben, dan is het wel dat ze een slingerend pad hebben afgelegd. Niet: ik wil tandarts worden, dus ik doe de opleiding en boem boem boem. Willekeur, twijfel, niet weten of je door moet gaan – dat is de manier om vooruitgang te boeken.”

Of om te mislukken.

„Wat is mislukken?”

Hoe zou het je vergaan zijn als je in Amerika was opgegroeid?

„Voor mij zou het misschien negatief hebben uitgepakt. Ik was zo’n jongetje dat altijd tienen haalde. Heel erg goed in toetsen en testen, echt waar, ook als de stof me niet interesseerde. In een Amerikaanse omgeving was ik gaan letten op wat er van me verwacht werd: tienen halen. Ik zou op de snelweg terecht zijn gekomen en die komt hier niet uit. Nou ja, misschien was ik een of andere topbankier geworden.”

Als je ouders je tenminste op de goede scholen hadden weten te krijgen.

„Ik groeide op in een gewoon gezin, in Ridderkerk, met ouders die niet dachten in termen van succes en me vrijlieten. De dingen die denkkracht vragen gingen me erg natuurlijk af, dus ging ik naar een heel goed gymnasium en…”

Wat hier waarschijnlijk nooit gelukt was.

„Nee, waarschijnlijk niet. Het Amerikaanse systeem moet briljante mensen opleveren, maar in mijn vakgebied zien we nauwelijks Amerikanen. Een casual benadering, mogen falen, zigzaggen… We hebben hier een heel goeie Koreaanse wiskundige, echt heel goed. Hij is begonnen als dichter.”

Pia: „Ik heb een half boek geschreven over een Russische wiskundige die hier werkte, mijn leeftijd, hij is vorig jaar overleden. Op een of andere manier was ik heel close met hem. Hij dacht dat hij zijn geest kon verruimen met externe middelen, God weet wat hij zichzelf allemaal toediende. Hij dacht: ik ben zo dicht bij de oplossing en…”

Robbert: „…als ik me nou maar weet te bevrijden van mijn beperkingen…”

Pia: „…dan vínd ik de oplossing. Het stikt hier in de buurt van de eh… ik zou bijna zeggen: van de gekken. Quakers, Amish… en dan zo’n wiskundige die foto’s maakt van de natuur, urenlang, paddestoelen, vossen, want daar zat God in en het antwoord op alle vragen, zo fascinerend… Dat boek moet ik toch maar eens afmaken.”

Ze gaat naar de keuken voor nieuwe koffie.

Robbert: „We staan op dezelfde manier in het leven, Pia en ik. Eigenzinnig, op onszelf, afstand houdend van alles wat afleidt van waar het echt om gaat. Ik denk wel eens, als we elkaar eerder hadden ontmoet, in onze kindertijd, dan waren we ook naar elkaar toegetrokken. We herkennen onszelf in elkaars jeugd. We zaten geen van beiden in grote vriendengroepen.”

Pia, weer terug: „Hebben jullie Robberts colleges gezien in De Wereld Draait Door? De aflevering die begint met dat jongetje dat naar de eerste landing op de maan kijkt? Zó schattig. Zo stel ik me Robbert voor toen hij klein was.”

Robbert: „Het jongetje dat ik ooit was, met zijn dikke boeken, op het dorpsschooltje, weinig muren, weinig lijnen waar je niet overheen mag – daar identificeer ik me nog steeds mee. Dat jongetje bén ik.”

Willekeur, twijfel, niet weten of je door moet gaan – dat is de manier om vooruitgang te boeken

En jij, Pia, was jij als meisje al schrijfster?

Pia: „Mijn moeder zegt dat ik dat vanaf mijn zevende ben gaan zeggen. Ik kreeg voor mijn verjaardag een vulpen.”

Hoe zijn jullie kinderen?

Robbert, lachend: „Work in progress. Jurriaan studeert in Amsterdam PPLE” – Politics, Psychology, Law and Economics – „en Matthijs doet hier in Princeton een soort engineering, financiële wiskunde. Hij is de bèta. En Charlotte…”

Pia: „…is in het laatste jaar van highschool. Zij is nog heel erg zoekende, hoor.”

Robbert: „Grappig om te zien hoe zelfstandig ze in hun denken zijn, in wat ze wel en niet leuk vinden. Onmogelijk om ze aan te sturen.”

Dat proberen jullie ook niet?

Pia: „Wat wij altijd hebben gedaan: ze zoveel mogelijk met rust laten en ervoor zorgen dat ze zich veilig voelen.”

Robbert: „We zijn altijd een hecht gezin geweest, dat heeft Pia mooi beschreven in Charlotte. We sliepen heel lang met zijn vijven in één bed en we dachten soms: beschermen we ze niet te veel, houden we ze niet te klein? Je denkt dat je angstige kinderen krijgt, maar het omgekeerde is gebeurd. Ze voelen zich juist vrij om dingen te verkennen. Om te leren heb je een beschermde omgeving nodig, dat is wat je als ouder een kind kunt geven.”

Je doet hetzelfde voor jouw wetenschappers op het instituut.

Robbert: „Ja.”

Vind je het niet jammer van je eigen denkkracht?

Robbert: „We denken soms te veel in termen van ons eigen succes en wat we zelf kunnen bereiken. Er zit een kant in mij die vindt dat dit, wat ik nu doe, andere mensen op het podium helpen, nu het belangrijkste is. Iedereen die hier zit, is een keer ergens door getriggerd. Als er nooit een vonkje is, komt er nooit vuur.”

Roger Neve

Jij bent nu het vonkje?

Robbert: „Ja, maar dat betekent niet dat ik alleen maar vonkjes moet trekken. Uiteindelijk, als je terugkijkt, gaat het om de balans tussen wat je zelf hebt gedaan en wat je voor anderen hebt betekend.”

Pia: „Jij wilt graag delen.”

Robbert: „Iemand stuurde me een berichtje over een meisje dat eindexamen deed en een fotootje van mij op haar bureau had staan. Heel bijzonder.” Hij lacht. „En dan denk ik: misschien heeft ze door mij haar examen wel gehaald. Voor iedereen geldt, je woont in dit universum, je bent er een onderdeel van. Heel vreemd als je niet op een of andere manier contact maakt met dat universum, erover nadenkt en het probeert te begrijpen. Ik kan dat rechtstreeks, of vrij rechtstreeks, met mijn formules. Maar de gemiddelde mens kan dat niet, die heeft er hulp bij nodig. Als ik daar een klein beetje bij kan helpen…”

Daarom reis je als een zendeling de wereld af en geef je colleges op televisie?

Robert: „Ja.”

Pia: „Je zou jezelf nog opofferen.”

Robbert: „Nou, opofferen…” Tegen ons: „We zijn veel samen thuis hoor. Lezen, wandelen, dwarsfluit spelen. Ik speel elke dag twee uur dwarsfluit. Ons leven is behoorlijk verstild.”

Pia: „Maar bij jou staat de deur altijd open.”

Robbert: „Mijn grondhouding is dat ik ’s morgens mijn ogen opendoe en meteen denk aan hoeveel er te weten en te beleven is.”

Pia: „Jij hebt een andere strategie dan ik.”

Robbert: „Ik zorg dat ik zelf aan zet blijf.”

Pia: „Jij laat alles op je afkomen en dan valt er vanzelf wel wat van de wagen . Ik doe” – ze schiet zogenaamd met een geweer – „meer dit. Ga van mijn erf!”

Robbert: „Bij Pia kom je niet gemakkelijk voorbij de eerste slotgracht.”

Pia: „Ik ben ook veel gauwer moe, dat is door Charlotte gekomen.”

Robbert: „Je moet kijken naar wie je bent, hoe je mechaniek werkt. Ik kan wel in mijn eentje op mijn kamer gaan zitten nadenken, maar dan komt er niks. Op reis, je praat vijf minuten met je collega’s en je hebt twintig ideeën.”

Zijn jullie na zeven jaar Princeton veramerikaanst?

Pia knikt ja.

Robbert: „Nee.”

Pia: „Ik ben veel kritischer geworden op hoe slordig we in Nederland zijn. Vuurwerk, fietsen zonder helm, vrachtwagens die worden uitgeladen zonder dat er agenten omheen staan. Onze zoon Jurriaan moet erlangs! Mijn vader is overleden aan een hartaanval. Had iemand ooit zijn cholesterol gecontroleerd?”

Robbert: „Bepaalde stukken in mij waren al Amerikaans en die zijn hier tot leven gekomen. Het denken in mogelijkheden, de vrijheid, de ambitie – wat een opluchting. Als ik in Californië ben, in Silicon Valley, denk ik: wow. Het mág allemaal.”

Pia: „De keren dat ik nu naar de dokter ga, me preventief laat nakijken – vroeger vond ik dat totaal ridicuul. Nu denk ik: ik heb de verantwoordelijkheid voor een gezin. Al moet je wel op je hoede blijven, ze willen je ook wat verkopen.”

Dus je bent overstag gegaan.

Pia: „Helemaal niet.”

Ik ben veel kritischer geworden op hoe slordig we in Nederland zijn

Dat ontsierende plekje waar je laatst over schreef, je was bij de dermatoloog – dat zit er nog?

Pia: „Eh… eh…”

Oud en lelijk mogen vrouwen hier niet zijn.

Robbert: „Mannen ook niet hoor. De grootste markt voor cosmetische chirurgie is in Silicon Valley. Mannen van dertig moeten eruit zien als tieners, liefst met een onduidelijk T-shirt en gaten in hun broek, want alleen dan ben je een genie. Mark Zuckerberg is al oud.”

Pia: „Maar hier in Princeton, ik ken een plastisch chirurg die al die inspuitingen deed, en ook echte facelifts.” Ze trekt haar gezicht glad. „Hij is ermee gestopt, hij doet het niet meer. Het is uit.”

Robbert: „Men wil geen ander gezicht meer.”

Maar men wil ook niet dood.

Pia: „Totaal fascinerend. Mijn buurman, ik heb al vaak over hem geschreven, hij is 76 en gaat nu een stamceltransplantatie doen, hij heeft een bepaalde vorm van leukemie. Kost een paar ton, geen probleem. Hij kan dat huppekee zo betalen. En niemand hier die dat gek vindt.”

Robbert: „Je gaat het vanzelf overnemen, die houding. Als je het wel kunt, maar niet doet, heb je het niet begrepen. Kijk even naar wat we nu vanzelfsprekend vinden, maar vijftig jaar geleden niet. Films uit die tijd, mensen stapten zonder autogordel in de auto, rokend… Ik wil niet dat mensen over vijftig jaar naar een filmpje van mij kijken en zeggen: man, waarom deed je je gordel niet om?”

Pia: „In Nederland woonden we aan een gracht en in de steeg naast ons huis zaten hoeren achter de ramen. Als je dat tegen mensen hier zegt – ze kunnen er niet over uit. En eerlijk gezegd, ik ook niet meer.”

Jullie kinderen zijn er alle drie geboren.

Pia: „Ons meest veramerikaanste kind, Matthijs, zei laatst: mama, hoe konden jullie ons daar laten opgroeien?”

Robbert, lachend: „Dat kunnen we eigenlijk niet uitleggen, behalve dat het toen goed voelde voor ons.”

Pia: „Artsen hier zeggen: drie thuisbevallingen? Zonder verdoving? Middeleeuws!”

En jullie beslissing om Charlotte niet te laten behandelen en af te wachten, wat zeggen ze daarvan?

Robbert: „Onmogelijk.”

Pia: „Artsen die mijn boek hebben gelezen zeggen: dat was hier nooit gebeurd. Het zou tegen elk protocol zijn geweest.”

Robbert: „Sterker, elke voorbijganger kan hier bezwaar aantekenen tegen een besluit om niet te behandelen. Wacht even, dit kind, dat niet voor zichzelf kan opkomen, ik eis dat het wél behandeld wordt.”

Dan was Charlotte waarschijnlijk doodgegaan door de chemo.

Robbert: „Ja.”

Pia, na een stilte: „Je vraagt je wel af hoe dat zal gaan als mensen steeds ouder worden. De moeder van mijn buurman is over de 100, zelf gaat hij nu in de herstart. Waar eindigt het?”

Robbert: „Ik ken mensen in Silicon Valley die met zó’n zak pillen bij de lunch zitten. Jonge mensen, 35 pillen. En dan zie ik niet eens wat ze verder nog nemen, wat ze ingespoten krijgen. Zij zeggen: wacht maar, over vijftig jaar doet iedereen het, en dan heb jij spijt.”

Pia: „Ik heb nu een van die jongens een briefje geschreven: wat slik je precies?”

In Nederland woonden we aan een gracht en in de steeg naast ons huis zaten hoeren achter de ramen

Dus jullie gaan ze nemen?

Pia: „Zo ver ben ik nog niet.”

Robbert: „De nuchtere Hollander in mij zegt: tut, tut, ho, ho, uiteindelijk gaan we allemaal dood. Maar als ik eerlijk ben, die nuchtere Hollander is ook maar een verzinsel. In Silicon Valley zeggen ze dan: je zit opgesloten in je defaitistische denken.”

De boodschap van je televisiecolleges was dat de mens zich zal blijven verbeteren.”

Robbert: „Er zit een onverbiddelijke logica in. Als je in de geschiedenis kijkt, dan was het heel moeilijk om te voorspellen waar het oorlog zou worden, welke politieke partij zou opkomen. Maar dat de mens zich met alle technologische mogelijkheden zou gaan verbeteren, dat was 200 jaar geleden al een heel gemakkelijke voorspelling.”

Want niemand wil dood.

Robbert: „Je wilt niet alleen niet dood, je wilt ook maximaal leven. Als je de lijn terug volgt, je ouders, je grootouders, je komt uiteindelijk bij de eerste bacterie, en dat betekent dat je 4 miljard jaar pure overlevers hebt gehad in jouw eigen familielijn.”

En die wil tot leven is de motor achter de fundamentele natuurkunde?

Robbert: „Het zit in de mens. Alles wat kan, gebeurt. Eerst hier, dan in de rest van de wereld.”