Recensie

Watervogels? Een bont en babbelziek volkje!

Erg bekend is de Mexicaanse schrijver Juan José Arreola (1918-2001) buiten het Spaanse taalgebied nooit geworden. Vorig jaar verscheen als eerste vertaling zijn surrealistische verhalenbundel Het wonderbaarlijke milligram uit 1952. Snel is die nu gevolgd door de bundel dierenverhalen Bestiarum (1945). Aanvankelijk verschenen die als teksten bij tekeningen van de eveneens Mexicaanse kunstenaar Héctor Xavier. Negen daarvan zijn ook in deze vertaling afgedrukt.

‘Dierenverhalen’ is geen goed woord voor de korte portretten (één tot anderhalve bladzijde) waarmee Arreola de verschijning van de ruim twintig door hem beschreven dieren of diersoorten kenschetst. Verhalen vertelt hij niet. Hij beschrijft het aanzien dat ze bieden, de eigenaardigheden van hun gedrag, en schuwt daarbij de fantasie niet. ‘Bont en babbelziek volkje’, zo beschrijft hij het gedoe van watervogels, ‘waar allen snateren en niemand de ander begrijpt.’

Dat is het voornaamste verschil tussen Bestiarium en de dierenportretten die Jules Renard (1864-1910) schetste in zijn bundel Natuurlijke historietjes – Zo zijn onze dieren. Renard vertelt wél verhalen, die hij ontleende aan de landelijke omgeving waarin hij een deel van zijn leven verbleef, al worden ook zij nooit tot fabels van mens-gelijke dieren.

Waar Renard dicht bij huis bleef, zoekt Arreola het (geleid door de tekeningen van Xavier) vrijwel steeds in het exotische. Geen varkens, ganzen, koeien of kalkoenen maar de beer, de neushoorn, het nijlpaard en de axolotl. Of dat laatste een hommage was aan Julio Cortázar, die kort daarvoor een van zijn beroemdste verhalen aan deze wonderlijke salamander had gewijd, blijft de vraag.

Op de hielen gezeten door deadline en geldgebrek, heeft Arreola zijn hele galerij dierenportretten in één week gedicteerd aan zijn vriend José Emilio Pacheco. De onvoorspelbare, levendige verbeeldingskracht van zijn beschrijvingen getuigt ervan. Lenig springt hij van beeld naar beeld, in even trefzekere als verrassende metaforen, ook hier op de rand van het surreële. ‘Krampachtig steunend op zijn weke musculatuur verheft de ene alleen maar zijn naakte tors’, zo beschrijft hij de zeehond. ‘Een andere legt zich als een wijnzak vol zwaar water te ruste in de zon.’

In woordkunst liggen deze korte prozateksten dicht tegen de poëzie aan, noteert Annelies Verbeke in haar voorwoord. Guy Posson heeft er vrijwel steeds met een bijna even glanzende woordpracht Nederlands van weten te maken: ‘Over alle blazoenen heerst het lelieblanke wit van de Koningsgier, die boven het kreng zijn vleugels ontvouwt als kwartieren van hermelijn op een veld van azuur.’

Aan het lezen van Bestiarium ben je een stuk minder tijd kwijt dan aan Renards werk. Diens vertelkunst staat tegenover de dichterlijke fantasie van Arreola, die daarom meer tot herlezen uitnodigt. Bestiarium is een kleinood dat je af en toe oppakt voor een paar alinea’s. Het is even charmant als de schrijver zelf moet zijn geweest.