Recensie

Recensie Boeken

Toen het leven nog glansde in een vreedzaam licht

Kjell Westö schreef een grootse roman over volwassen worden, en het terugzien daarop.

De verteller uit de schitterende Scandinavische roman De zwavelgele hemel van Kjell Westö (1961) ervaart een groot geluksgevoel als hij met zijn vader een rit maakt in een Simca. De ‘wereld glinstert in blauw en goud en ik ben gelukkig daar op de achterbank’.

Zo opent de ik-figuur een sprookjesachtige wereld met parken waaraan geheimzinnige huizen met torentjes staan, van skitochten op zondagochtend en van ontluikende liefde. Westö is een Zweedstalige Finse auteur van wie eerder enkele romans werden vertaald, onder meer In de val van de verleiding (2005) en Waar we ooit liepen (2008). Zijn groots opgezette romans zijn altijd fascinerende zoektochten in het verleden, zo ook De zwavelgele hemel.

Ogenschijnlijk vertelt Westö het eenvoudige verhaal van een jongensvriendschap die eind jaren zestig begint, in tijden van de Beatles, en die doorloopt tot in het heden. Een song als While My Guitar Gently Weeps en andere vormen de soundtrack van deze roman.

Hoge verwachtingen

De jongens draaien de muziek op hun slaapkamer, tijdens feesten en in de auto. Ze leven in hoge verwachtingen van de toekomst die voor hen glanst als een ‘vreedzaam licht’. Ze leven in een tijd die de vertellende ik-figuur ‘bontgekleurd’ noemt: kapsels werden steeds wilder en de uitdossing steeds feller gekleurd, er was ruimtevaart en popmuziek. Maar ook oorlog in Vietnam en terrorisme. Meteen in het begin van de roman staat een prachtige zin, waarvan de echo lang doorklinkt: ‘In mijn jeugd is er altijd zonneschijn en wind, zo liegt mijn herinnering, de hemel is hoog en de wind altijd even hard, ongeacht het jaargetijde.’

De vriendschap tussen Alex en de ik-figuur lijkt gedoemd, want tussen beide jongens gaapt een groot klassenverschil. Alex Rabell is van gegoede komaf en hij heeft een beeldschone zus, Stella, op wie de verteller verliefd wordt. De Rabell-familie bewoont een landgoed, de ik daarentegen leeft met zijn ouders in een bescheiden zomerhuis. De naamloze ik is vastbesloten dit verschil te overbruggen, waarbij hij zelfs minzaam-venijnige vernederingen van Alex moet verdragen.

Geleidelijk raken Alex en Stella echter vervreemd van hun vroegere schoolvriend en minnaar. De ik knoopt nieuwe verhoudingen aan, maar geen enkele vrouw kan met Stella wedijveren. Ondertussen ontpopt hij zich tot schrijver.

Het is een slimme truc van Westö: hij geeft de lezer de indruk dat we zijn autobiografie lezen. Hierin vertoont de roman gelijkenis met de reeks Mijn strijd van Knausgård, waarin ook een schrijver de dramatis persona is van het verhaal. En net zoals Knausgård speelde ook Westö in een bandje, genaamd WHAT?

Ouderdom

Wanneer de verteller erachter komt dat Stella met een man is getrouwd die haar slaat, probeert hij haar op te sporen. Als ze elkaar uiteindelijk treffen, zijn hun wederzijdse gevoelens nauwelijks veranderd. De liefde leek aanvankelijk voorbij, maar gloeit weer op. Ondertussen zijn we in het heden beland, zoveel killer en onverschilliger dan de glanzende, veelkleurige jaren zestig.

De vitale jonge vader en moeder van toen lijden aan ouderdomsverschijnselen. Geleidelijk veranderen de toon en de stijl van het boek: de zinnen worden korter en kaler, de swingende brille van het eerste deel verdwijnt.

In het indrukwekkende slot houdt Westö een loflied op de liefde, die de mens de kracht geeft te herinneren en verhalen te vertellen. De zwavelgele hemel is een grootse roman over de lange weg naar volwassen worden. En is dat laatste eenmaal bereikt, dan dient zich onontkoombaar de eenzaamheid aan waarin iemand alleen nog kan terugblikken. Het is ontroerend zo mooi.