Recensie

Recensie Boeken

Mijmeringen van een ex-EU-president

Europa In zijn herinneringen aan de jaren dat hij president van de Europese Unie was, vereffent Herman Van Rompuy geen rekeningen, maar contempleert hij over het verloren gegane evenwicht in Europa.

Herman Van Rompuy
Herman Van Rompuy Foto Hollandse Hoogte/Rex Features

Bij zijn afscheid als Europees president, in december 2014, zei Herman Van Rompuy met grote stelligheid: ‘Ik schrijf geen memoires. Ik heb zelfs geen aantekeningen gemaakt.’ Volgens hem staan memoires van oud-politici vaak vol afrekeningen en zelfverdediging. Aan die ‘Kermis der IJdelheid’ wil hij niet meedoen. Van Rompuy heeft zijn nieuwste boek dan ook Anti-memoires genoemd.

De inspiratie voor die titel kwam van de Franse schrijver en oud-minister André Malraux (1901-1976). Maar die werd er achteraf van beschuldigd dat hij met zíjn Antimémoires (1967) wel degelijk oude rekeningen wilde vereffenen, dingen recht wilde zetten of juist weg wilde moffelen. Volgens een van Malraux’ biografen bedreef hij eerder het vermaledijde genre ‘autofictie’. Maar zelfs hiervan kan Van Rompuy niet worden beticht.

Wie wil weten welke geheimen Merkel of Sarkozy hem tijdens de eurocrisis in zijn oor fluisterden, of hoe Europese toppen met Poetin of Erdogan echt verliepen, vindt daar in dit boek niets over. Scoops zitten er niet in – niet één. Van Rompuy schrijft niet over vergaderingen of mensen en vrijwel niet over de sfeer in Europa in de vijf crisisjaren waarin hij regeringsleiders probeerde zover te krijgen dat ze compromissen sloten en beslissingen namen.

Waar Anti-memoires dan wel over gaat? Het zijn mijmeringen. Lessen, die de nu 71-jarige Vlaamse christen-democraat uit het leven heeft geleerd. Inzichten, die hij wil doorgeven. In korte hoofdstukken stipt hij onderwerpen aan als geloof, leiderschap, verandering, Europa, de dood.

Van Rompuy kon een sluw politicus zijn, maar hij had altijd een sterk contemplatieve kant. Tijdens de Griekse crisis ging hij rustig met de kleinkinderen op vakantie. Als iedereen in het Brusselse Raadsgebouw gestresst door de gangen rende omdat de zoveelste ‘moeder van alle toppen’ werd gehouden, dronk Van Rompuy doodkalm een kopje thee. Op zíjn verdieping liepen mensen langzamer en spraken ze met minder stemverheffing. Dat namen ze van hem over.

Alles in de samenleving, schrijft Van Rompuy, draait om evenwicht. In deze tijd , waarin ‘neopolitici het hebben over hoe goed je de ‘‘onderbuik” van de samenleving moet aanvoelen’, en iedereen steeds harder schreeuwt om gehoord te worden, raakt dat evenwicht zoek. Rompuy is geen nostalgicus. Hij weet: de oude tijd komt niet terug, en dat is goed zo. Toch wil hij tegenwicht bieden, en harmonie en dialoog zoeken. Daarvoor, zegt hij, moet je enigszins afstandelijk blijven.

Van Rompuy kan scherp zijn. En geestig. Hij kan mensen op hun nummer zetten of voor zijn kar spannen. Hij cijfert zichzelf zeker niet weg. Tegelijkertijd is zijn favoriete dictum (van Rimbaud): ‘Je est un autre’ (ik is een ander). Hij vindt dat de mens zichzelf meer moet relativeren. Zeker nu. ‘Het idee van verzoening, vergeving, – het moeilijkste van alles –, het dienen van het algemeen goed (‘‘bonum commune”) boven het ‘‘Ik”, hebben mij altijd gevleid.’

Als grootste probleem ziet Van Rompuy ‘het gebrek aan liefde in onze bloedeigen samenlevingen. Daartegenover moet er een cultureel en ethisch tegenoffensief gevoerd worden. „Un jihad d’amour”.’