Recensie

Kurtág bij Musikfabrik op het scherp van de snede

Klassiek Ensemble Musikfabrik werkte een week met György Kurtág aan diens ‘Rückblick’. Donderdag klonk de cyclus integraal in het Muziekgebouw.

Spookachtig gonst de trompet bij Kurtág door de Musikfabrik
Spookachtig gonst de trompet bij Kurtág door de Musikfabrik Lenke Szilágyi

Onlangs togen ze naar Boedapest, trompettist Marco Blaauw en contrabassist Florentin Ginot van Ensemble Musikfabrik. Samen met Benjamin Kobler en Ulrich Löffler (de pianisten van het gezelschap) gingen ze een week aan de slag met componist György Kurtág. Op de lessenaars diens Rückblick, een cyclus van ruim een uur die het viertal donderdag zonder pauze uitvoerde in het Muziekgebouw.

Kurtág, laatste der modernistische Mohikanen, mag met zijn 93 jaar broos ogen, als het op repeteren aankomt weet hij nog altijd van wanten. Op een YouTube-teaser zie je hem onvermoeibaar hetzelfde verglijdende trompetlijntje voorzingen: „Tiee-diem. Tsieee-diem. Alsof je smeekt. Nee, niet zo snel.” Perfectionisme is een understatement.

Rückblick. Hommage à Stockhausen (1993) is een titel die zegt waar het op staat. De cyclus voor trompet, contrabas en diverse klavierinstrumenten is een terugblik op eigen werk, zij het stevig bewerkt en ruimschoots voorzien van nieuwe noten.

Toen Kurtág aan de klus begon stond hem zoiets als Stockhausens Musik für die Beethovenhalle (1969) voor ogen. Vandaar de ondertitel. Klein verschil: waar Stockhausens retrospectief destijds verschillende zalen en orkesten in beslag nam, daar heeft de Hongaarse miniaturist genoeg aan één podium en vier musici.

Klankgeworden melancholie

De zeggingskracht is er per saldo niet minder om. Kurtágs kunst is er een van hypergeconcentreerde flarden en fragmenten, waarin een vlaag volksmuziek of een verbasterde scherf Bartók een hele wereld op kan roepen. Soms heeft hij genoeg aan een enkele toon, zoals in ‘Präludium und Walzer in C’, overgeheveld uit de pianoreeks Játékok.

Musikfabrik gaf de noten de uitvoering waarom ze vragen: op het scherp van de snede, tot in de puntjes geladen en met nauwgezette aandacht voor de subtiele timbre-experimenten die Kurtág uithaalt.

Mooi hoe Blaauw zijn trompettonen spookachtig liet gonzen in het binnenwerk van een vleugel, of hoe Ginot zijn basflageoletten feilloos naar diens gedempte koperklanken kleurde. Ondertussen duetteerde een technisch fenomenale Kobler in de 8 Klavierstücke, op. 3 met zijn eigen resonanties, en produceerde hij met Löffler mysterieuze mengtinten van piano, celesta en klavecimbel.

Hoe dat verglijdende trompetlijntje in het ‘Kyrie’ klonk? Klankgeworden eenzaamheid en melancholie.