Hordeloopster Nadine Visser is een koele kikker, die robuuster moet worden

Profiel Nadine Visser, atleet Bij hordeloopster Nadine Visser (24) schort het dit jaar nog aan de gewenste snelheid. De EK indoor moeten daar verandering in brengen. Gaat ze in het weekeinde in Glasgow eindelijk knallen?

Bij aankomst in Glasgow zocht Nadine Visser woensdag onmiddellijk haar hotelbed op. Om te rusten. Beetje series kijken, beetje lezen en tussendoor wat socializen met landgenoten. Haar ritueel dezer dagen. En trainen? Heel lichtjes, om de baan te proeven en sfeer te snuiven. De restjes vermoeidheid van een trainingsstage in Zuid-Afrika verdrijven en opladen voor de EK indooratletiek, dat is haar opzet. Want knallen, dat wil ze.

Er wordt veel van haar verwacht op de 60 meter horden, beseft Visser. Coach Bart Bennema presenteert haar zonder omwegen als medaillekandidaat, nadat ze een jaar terug op de WK indoor als nummer drie was geëindigd achter de Amerikanen Kendra Harrison en Christina Manning. De snelste Europese dus. Maar zo makkelijk laat Visser zich niet de favorietenrol aanleunen. Ze is dit seizoen bij lange na niet de snelste op de Europese indoorbanen. Visser kwam dit jaar met 7,96 vooralsnog niet verder dan de vierde tijd; dus, ze bedoelt maar.

De perfecte race, daar gaat het om. Die heeft Visser nog niet gelopen. Bennema zag bij wedstrijden weinig terug van haar vorderingen tijdens de trainingsstage. Hij is vooral ontevreden over de start. Kwestie van te snel rechtop komen in combinatie met te lange passen, waardoor ze te dicht op de eerste horde uitkwam. Weg snelheid, weg flow, weg toffe tijd. Visser weet het, heeft er in aanloop naar de EK veel aandacht aan besteed en rekent in Glasgow op vloeiende starts.

En dan is er nog het ‘bijtrekbeen’, jargon voor afzetbeen; bij Visser haar linker. Die moet sneller naar de grond, vindt Bennema. Hij heeft berekend dat er dan per horde zo’n driehonderdste van een seconde winst is te boeken. Hoe langer dat been in de lucht hangt, des te later je snelheid kunt maken. In vergelijking met de toplopers gaat het bij Visser net iets langzamer, heeft de coach ontdekt.

Lees over de NK indooratletiek, waar Dafne Schippers tekenen van haar oude, vermaarde niveau toonde.

Een toernooidier

Het koppel is nieuwsgierig of in Glasgow die nieuwe theorie praktijk wordt. Ooit worden verbeteringen vertaald in tijden, maar het moment waarop dat gebeurt blijft ongewis. Maar Visser is een toernooidier, een koele kikker, die kan pieken als het moet. Vorig jaar op de WK liep Visser zo maar het dertig jaar oude Nederlands record van Marjan Olyslager aan gruzelementen: 7,83, een verbetering met zeshonderdste van een seconde. Ruim onder de acht seconden, de grens die ze voor zichzelf als standaard hanteert. Maar die snelheid kwam dit jaar nog niet uit Vissers benen; tot haar frustratie.

Een race pakt Visser koeltjes aan. Eenmaal aan de start neemt rust bezit van haar geest en lichaam. Ze heeft geen rituelen, hooguit een tic, zoals haar paardenstaart goed doen. Verder is Visser volledig zen, volop geconcentreerd op de start. Schouders laag houden, eerste passen niet verlengen, die details houden haar bezig. Niet of ze wel goed uitkomt bij de eerste horde. Als de start goed is, gaat de rest vanzelf, weet ze uit ervaring. De race gaat op de automatische piloot, altijd.

Bennema vindt dat Visser de horden robuuster moet nemen, er desnoods „doorheen moet rammen”. Hij wil dat ze grenzen verlegt. Hoe hoger het risico, des te hoger de beloning, is zijn adagium. Robuuster worden, ook mentaal, want hordeloopsters zijn leeuwinnen, op het bitcherige af. Daar moet je tegen bestand zijn. Was Visser niet gewend als meerkampster, waar de kameraadschap groot en de sfeer heel sociaal is. Zal wel, dat robuuste, redeneert de atlete. Zij denkt in termen van scherpte en vorm. Als die goed zitten, komt agressie vanzelf.

Na een race is er berusting, ongeacht het resultaat. Als Visser wint, voelt ze dat onmiddellijk. Andere klasseringen verneemt ze van het scorebord, waar ze als eerste naar kijkt. Bij een goed resultaat verschijnt er een glimlach en steekt ze bescheiden één hand, of twee, in de lucht. De hordeloopster is geen springerig type, is niet haar aard. Eerder is er sprake van ongeloof, zo van: oh, dat heb ik goed gedaan. Ja, van binnen gloeit ze . Visser is soms moeilijk te peilen. Merkt ze ook aan trainers, die vaak vragen of ze tevreden is. Ach, zo is ze nu eenmaal.

Ze is hordeloopster, fulltime. Voortgekomen uit de meerkamp, net als Dafne Schippers. Ze was op de Olympische Spelen van Rio de Janeiro, een tikje teleurstellend, negentiende en een jaar later op de WK in Londen, heel perspectiefvol, zevende. Een mooie toekomst? Niet dus. Nee, ze heeft geen heimwee, hoe goed ze ook was en hoe gezellig meerkampsters het onder elkaar ook hebben.

Lees ook dit verhaal over Nadine Visser: De moeilijke keuze tussen hart en talent

Meerkamp is voltooid verleden tijd

De reden? Haar lichaam. Als hordeloopster heeft ze het gevoel alles uit haar lijf te kunnen halen. Als meerkampster niet. Als Visser op de sprint voluit had getraind, voelde het kogelstoten als tijdverspilling. Had ze stijve kuiten van de tempotrainingen, kon ze niet hoogspringen. De fun nam af. Het plezier dat ze wel volop beleeft als ze over horden rent. Daar ligt haar intrinsieke talent. En ze vliegt steeds sneller over die 84 centimeter hoge hekjes, dat speelt ook mee. De meerkamp is voltooid verleden tijd. Visser is hordeloopster. Punt.

Hoe competitief het nummer ook is, Bennema schildert mooie vergezichten voor Visser. Podiumplaatsen op grote wedstrijden? Geen twijfel, vraag hem alleen niet wanneer. Omdat ze een natuurtalent is en het trucje doorheeft. En omdat Visser niet van zins is een bijrol te vervullen. Haar attitude: voor vierde tot en met achtste plaatsen koop je niks, he-le-maal niks.