Opinie

Hoe groot is het ik van de journalist die stopt met roken en geen vlees meer eet?

De ombudsman

Hoe een mens, nou ja ik, zich kan vergissen. Ik stelde hier al een paar keer vast dat het ‘ik-verhaal’, een artikel waarin de auteur zichzelf opvoert en soms zelfs de hoofdrol speelt, ook in NRC terrein aan het winnen was. Ik noemde dat in een inmiddels verstofte rubriek op zichzelf nuttig als het om een „persoonlijke aanvulling” op het nieuws gaat. Maar ik noemde het ook „riskant”, want het moet journalisten gaan om feiten en andermans daden, niet om de eigen biografie of beleving. Vrome uitsmijter: „Het onderwerp is altijd groter dan het ego.”

Later waarschuwde ik nog maar eens voor de „narcisme-valkuil”. Je kunt jezelf best opvoeren als „gids” voor de lezer, om te laten zien hoe iets werkt of als je (als ik) op onderzoek uitgaat. Maar je moet uitkijken, vond ik, om de ik, jezelf dus, tot middelpunt van het verhaal te maken.

Hoe kon ik zo tegen de wind in staan praten, denk ik nu!

Want de afgelopen maand kwam ik al meer ikken tegen in deze krant dan het aantal keren dat ik het ik in de voorgaande alinea’s heb gebruikt. En dan heb ik het niet over columns of rubrieken, waarin het ik altijd al rondloopt, maar over reportages en andere stukken van redacteuren of medewerkers. Bovendien vielen die vaak in weer een andere ik-categorie, namelijk die van persoonlijke getuigenissen.

Die begonnen me op te vallen, na een warm ontvangen stuk over stoppen met roken; daarna kwam al snel een tweede stuk, over het genot van roken en het stoppen ermee; een uitgebreid stuk over bekering tot veganisme, een verslag in ik-vorm van een bezoek aan de IND; een onderzoeksstuk over vervuilde pillen uit China; een ik-artikel over het houden van huisdieren; een fenomenologie van het wandelen (in een special) en tot slot een artikel over vrouwen en boosheid, aan de hand van eigen huiselijke botsingen. O ja, en op Opinie het tweeluik van een niet-redacteur over haar ik-ervaringen met ego-loze spiritualiteit, geheel conform de sinds de jaren zestig beproefde dubbelslag: eerst aanprijzen (Adem in. Adem uit) en dan waarschuwen (Laat je niet hersenspoelen). Alsof The Beatles nooit naar India zijn geweest.

Kortom, het is een trend, zoals redacteur Peter Zantingh in 2015 vaststelde in een verhelderend stuk – uiteraard in de ik-vorm.

Ik zeg er meteen dit bij, om het idee te voorkomen dat ik een fetisj heb voor beursberichten en waterstanden: veel van die stukken zijn een plezier om te lezen (enkele scoorden hoog in de leeslijsten van de krant, zoals dat over veganisme). Vele ervan bevatten nuttige inzichten en treffende formuleringen (over veganisme: „Had je geweten dat het karbonaadje Barry heette en dat het van balspelletjes hield, dan had je het niet meer gelust” – overigens een betwistbare stelling).

Ook is de verteller niet in al die artikelen een hoofdpersoon wiens ervaringen centraal staan, maar eerder weer die gids, zoals in het IND-stuk of het onthullende onderzoek naar Chinese pillen. Ooit werd in zulke stukken het moeizame „uw verslaggever” of „de verslaggever van deze krant” gebruikt – wat nu klinkt als een echo uit de jaren vijftig.

Maar toch. Wat moeten we van het journalistieke ik vinden? Als scepticus durf ik er weinig meer over te zeggen, zeker nu ik betrapt ben met mijn vinger in de afbrokkelende dijk. Dus vroeg ik het aan Zantingh, die zich in het onderwerp verdiepte, en aan redacteur Jorg Leijten, die er een scriptie over schreef. Zantingh stuurde een uitvoerige beschouwing waaruit ik dit oppik: lezers zijn gaan wennen aan de ik-vorm door de opkomst van een online vertelcultuur, inclusief sociale media, blogs en podcasts. Journalisten grijpen er misschien ook sneller naar, vermoedt hij, omdat het materiaal voor het oprapen ligt: je bent het zelf. Risico: de buitenwereld blijft braak liggen.

Leijtens conclusies zijn dezelfde als destijds in zijn kritische scriptie, laat hij weten: hij pleit ervoor de ik-vorm beperkt te houden en buiten columns en rubrieken alleen te gebruiken als die onmisbaar is voor het verhaal, „bijvoorbeeld in situaties waarin de journalist onbedoeld onderdeel is van het nieuws of de ik-ervaring het stuk uniek maakt”.

Dat vond ik eerder ook, maar ik vraag me af of het vol te houden is. Journalistiek is een spiegel van de samenleving, die steeds meer getekend is door individualisering en de aandacht voor persoonlijke perspectieven, versterkt door de hegemonie van Facebook en andere sociale media. Je bént een verhaal, dat het waard is om verteld te worden. En dan niet alleen in life style-journalistiek, maar ook ver daarbuiten; zie de indringende persoonlijke ervaringen met diversiteit of racisme. Taak voor de journalistiek lijkt me dan, nog altijd: gebruik die vorm, maar zorg ervoor dat het ik dienstbaar blijft aan het onderwerp en niet andersom.

Er speelt ook nog iets anders, aansluitend bij Zantingh. Getuigenissen over het eigen leven zoals ik die las, geven niet zozeer blijk van narcisme, wat een cynicus zal denken, maar integendeel juist van een groeiende behoefte aan engagement en persoonlijke ‘verantwoording’. Nu kun je dat afdoen als een effect van depolitisering: alles wordt een kwestie van individuele moraal. Maar je kunt ook zeggen: media moeten die behoefte aan engagement van de eigen redacteuren inbedden en journalistiek juist benutten, ook buiten de krijtlijnen van de persoonlijke kopzorgen.

Dat betekent investeren in focus , tijd en slagkracht: diepgravend onderzoek doen kost nu eenmaal meer tijd dan verslag doen van een eigen ervaring. Kortom, wat mij betreft: ik mag van de partij zijn in de journalistiek, maar wij staan sterker.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.