Heus, van andermans mening ga je niet kapot

Psychologie Het moreel-politieke landschap is sterk gepolariseerd. Tegenpolen zijn lichtgeraakt en vinden hun eigen kant de goede kant. Maar je kunt er ook voor kiezen niet zo te denken.

Foto Vilain & Gai

Laatst las ik een boek dat me zo greep dat ik dagenlang zelfs op mijn e-reader bleef lezen terwijl ik door het huis liep, en zo bijna koffie schonk in de wc-rol op het aanrecht die wij thuis als keukenrol gebruiken. Het boek gaat over gevoeligheden en geweld op Amerikaanse universiteiten. Maar het leest alsof het óók over Nederland gaat, of misschien over hoe mensen nu tegenover elkaar staan in de westerse wereld, met name in de media: gepolariseerd, lichtgeraakt, intolerant.

Het boek stelt een manier van denken voor die mensen verdraagzamer kan maken, een soort therapie voor de maatschappij die utopisch klinkt en misschien zelfs bijna haalbaar. En dat deel van het boek is voor iedereen relevant.

Het heet The Coddling of the American Mind. Het is geschreven door Greg Lukianoff, een advocaat gespecialiseerd in onder meer vrijheid van meningsuiting, en Jonathan Haidt, hoogleraar sociale psychologie aan New York University, specialisme moraliteit en geluk. Coddling betekent zowel ‘zacht koken’ als ‘vertroetelen’, zodat de titel vertaald kan worden als het ‘smoren’ of ‘doodknuffelen’ van de Amerikaanse geest.

Kwetsend en onveilig

De auteurs hebben nooit Republikeins gestemd, maar zijn toch bezorgd omdat rond de 60 procent van de hoogleraren aan Amerikaanse universiteiten zichzelf links-liberaal vindt en slechts rond de 15 procent conservatief. En omdat studenten door hun universiteiten, die hen als ‘klant’ zien, vaak zo grondig beschermd worden tegen conservatieve meningen die ze als kwetsend en onveilig kunnen ervaren, dat die studenten niet goed meer leren debatteren en samenwerken. In plaats daarvan weren de studenten conservatieve sprekers van de campussen, waartegen dan weer wordt geprotesteerd. In februari 2017 ontaardde een geplande en gecancelde lezing van Breitbart-redacteur Milo Yiannopoulos op de progressief-liberale universiteit van Berkeley in brandstichting en ander geweld.

Ook hebben studenten zich – bijvoorbeeld in Los Angeles en op Yale – tegen universiteitsmedewerkers gekeerd vanwege beleefde, misschien onhandige, als cultureel ongevoelig te interpreteren mails, tot die medewerkers ontslag namen. Zoals de decaan van Claremont McKenna College die aan een Mexicaans-Amerikaanse student die over de witheid van de campus had geklaagd, mailde: „We werken aan de vraag hoe we onze studenten beter kunnen bedienen, met name degenen die niet in ons CMC-sjabloon passen.”

Geweld en heksenjachten

De angstcultuur die al met al ontstaat, leidt via geweld en heksenjachten juist tot méér angst, betogen de auteurs. En die wordt met de beste bedoelingen aangewakkerd. Door overbezorgde ouders die heel jonge kinderen al liever huiswerk laten maken dan buiten laten spelen. Door steeds bureaucratischer universiteitsbesturen die streven naar rechtvaardigheid en diversiteit maar niet goed weten hoe. En door stijgende depressiecijfers en toenemende politieke polarisatie.

Dit speelt niet exact zo in Nederland. Maar ook in Nederland is het moreel-politieke landschap sterk gepolariseerd. Aan de ene kant heb je onder meer vegetariërs, feministen, anti-Zwarte Piet-betogers en klimaatactivisten. Die worden door de andere kant minachtend deugmensen genoemd – ‘deugen’ is de laatste jaren op sociale media een scheldwoord geworden. Het wordt graag gebruikt door bijvoorbeeld klimaatsceptici, racisten, boze witte mannen en andere gewone hardwerkende Nederlanders die ‘dat gedoe’ over bijvoorbeeld racisme en het klimaat zat zijn.

Met de nagels uit

Mensen die zich niet in zo’n kamp willen laten indelen, bemoeien zich liever niet met de felle discussies tussen de twee kampen, want er wordt met de nagels uit verbaal gevochten en je krijgt zo een haal. In deze atmosfeer vindt minister-president Mark Rutte het zelfs nodig om te vertellen dat hij mensen die hulpverleners dwarsbomen „het liefst allemaal persoonlijk in elkaar zou slaan” en om de Nederlanders die zich tegen Donald Trump uitspreken als „ witte wijn sippende elite” weg te zetten. Een normaal gesprek lijkt onmogelijk: mensen aan beide kanten zijn lichtgeraakt en vinden hun eigen kant de goede kant.

Precies die lichtgeraaktheid en dat zwart-wit-denken beschrijven Lukianoff en Haidt in The Coddling of the American Mind. Volgens hen zijn die gevoed doordat zich de laatste jaren drie Grote Onwaarheden hebben verspreid: het idee dat (vooral jonge) mensen fragiel zijn en tegen élk gevaar beschermd moeten worden, dat je altijd op je gevoelens moet vertrouwen, en dat het leven een strijd is tussen goede en slechte mensen. Die drie ideeën, schrijven Lukianoff en Haidt, zijn in strijd met wetenschappelijk onderzoek naar geluk en ontplooiing én schadelijk voor individuele mensen en de maatschappij als geheel. Dat is het deel van het boek dat voor iedereen interessant is.

Onwaarheid 1: alles, álles moet veilig zijn

De wereld, met name de westerse wereld, wordt in grote lijnen steeds veiliger, blijkt uit onderzoek. In zijn boek The Better Angels of Our Nature beschreef de Amerikaanse psycholoog Steven Pinker hoe de laatste eeuwen en de laatste decennia alle vormen van fysiek geweld – moord, oorlog, verkrachting – zijn afgenomen. In die zin is de wereld veiliger dan ooit. Maar mensen willen de wereld nóg veiliger. Ze willen het liefst geen gevaar. En veel mensen eisen tegenwoordig ook een emotioneel veilige omgeving: ze willen niet geconfronteerd worden met zaken die in figuurlijke zin pijnlijk zijn, zoals extreem foute grappen en zeer afwijkende politieke ideeën.

Dat het begrip veiligheid zich heeft uitgebreid van de fysieke werkelijkheid naar de psychologie is nieuw, schrijven Lukianoff en Haidt. Het is een voorbeeld van wat de Australische psycholoog Nick Haslam in 2016 in Psychological Inquiry beschreef als ‘concept creep’: sluipenderwijs verschuivende begrippen. Veel negatieve psychologische concepten, schreef Haslam, hebben zich zo uitgebreid dat nu ook minder ernstige én ook heel nieuwe verschijnselen eronder vallen.

Foto Vilain & Gai

Het woord ‘trauma’, bijvoorbeeld, verwees aanvankelijk louter naar een ernstige fysieke verwonding, maar we kennen het nu vooral als psychische stoornis door een stressvolle gebeurtenis. En de lat ligt steeds lager om een gebeurtenis traumatisch te noemen. In de DSM-III, het psychiatrisch handboek uit 1980, stond nog dat het ging om gebeurtenissen „buiten de sfeer van de normale menselijke ervaring”: een eenvoudig sterfgeval hoorde er niet bij, een natuurramp wel. Maar de afgelopen jaren lieten onderzoekers zien dat bevallingen al symptomen van post-traumatische stress kunnen oproepen ( bij ongeveer 1 op de 100 vrouwen).

Alcohol en drugs

Zo heeft ook het begrip verslaving zich uitgebreid: van alcohol en drugs naar gokken, en er wordt gesproken over verslavingen aan bijvoorbeeld chocola, seks, shoppen en zonnen. Nieuwere edities van de DSM bestempelen sowieso steeds meer gedrag als stoornis. Haslam wilde geen waardeoordeel aan ‘concept creep’ verbinden. Aan de ene kant worden de problemen van meer mensen erdoor gezien en (hopelijk) verholpen; aan de andere kant zou het ook tot ziektewinst en een slachtoffercultuur kunnen leiden.

Dat laatste vrezen Lukianoff en Haidt. Hun medewerker Pamela Paresky bedacht er de term safetyism voor: een cultuur waarin veiligheid zó belangrijk wordt gevonden dat zelfs de meest triviale potentiële gevaren moeten worden uitgebannen. Maar die overbescherming is juist schadelijk, schrijven ze. Vooral kinderen moet je ertegen beschermen, omdat ze anders hun eigen weerbaarheid niet goed kunnen ontwikkelen door te spelen en te oefenen met wat er op hun pad komt. Niet alles kán veilig zijn en je moet leren daarmee om te gaan. Waar de grens ligt tussen onschuldig plagen en kwalijk pesten, tussen onhandigheid en discriminatie wordt in het boek nog niet goed duidelijk, al komen Lukianoff en Haidt wel met een begin van een antwoord in hun tweede Grote Onwaarheid.

Onwaarheid 2: ik voel het, dus dan is het zo

Woede, verdriet, jaloezie, somberheid en andere gevoelens kunnen overweldigend zijn. En je vindt altijd wel redenen waarom je emoties kloppen, waarom je écht gelijk hebt in wat je voelt. Mensen raden elkaar (en hun kinderen) vaak aan om hun emoties serieus te nemen. Maar je moet je emoties juist wantrouwen, vinden Lukianoff en Haidt. Dat vinden ze niet zomaar. Het is de basis van cognitieve gedragstherapie (CGT): het idee dat extreme gevoelens samenhangen met denkfouten over hoe de wereld anders zou moeten zijn dan die is. En dat je jezelf kunt trainen die denkfouten te zien en ertegenin te gaan, zodat de vervelende emoties die erbij horen verminderen. CGT is al decennia de vorm van psychotherapie tegen onder meer angsten, depressies en stressproblemen met het meeste bewijs dat die werkt.

Lukianoff en Haidt sommen een reeks veelvoorkomende denkfouten op, zoals catastroferen (‘natuurlijk gaat mijn werk straks helemaal mis en dat is verschrikkelijk’), overgeneraliseren (‘dat gebeurt namelijk altijd’), alles-of-niets-denken (‘ik kan ook helemaal niks, iedereen haat mij’), gedachtenlezen (‘Pietje vindt mij ook een sukkel’), etiketteren (‘Pietje is een zak’), het positieve buiten beschouwing laten (‘mijn lief is natuurlijk wel trots op me, maar dat telt niet’), en de schuld afschuiven (‘het komt allemaal door mijn ouders’).

Goed en veilig

In zijn boek How To Stubbornly Refuse To Make Yourself Miserable About Anything – Yes, Anything (2000) vat CGT-grondlegger Albert Ellis die denkfouten samen als de drie musts: ik moet goed presteren en gewaardeerd worden, iedereen moet mij goed behandelen, mijn leven moet goed en veilig zijn. Want anders is het vréselijk! Als je zo denkt – Ellis spreekt van musturbating – is je leven inderdaad vreselijk.

Deze denkfouten indammen vergt oefening en dan nog is het moeilijk. Dat komt doordat zulke gedachten en gevoelens onbewust en automatisch opkomen, maar je moet ze bewust en actief tegengaan. In termen van de Nobelprijslaureaat Daniel Kahneman en zijn boek Thinking, Fast and Slow (2011): denkfouten en emoties vallen onder het snelle Systeem 1, het bestrijden ervan onder het trage Systeem 2. Haidt gebruikt liever zijn eigen metafoor uit zijn boek The Happiness Hypothesis (2006): we zijn de bewuste berijder van een enorme onbewuste olifant en met oefening krijgen we een beetje controle over dat beest. Dan voelen we ons beter en hoeven we ons niet zo te laten opfokken door anderen. Niet als die vervelend zijn, en vooral niet als die goedbedoelend maar onhandig zijn.

Onwaarheid 3: leven is een strijd tussen goede en slechte mensen

Neem zomaar een groep mensen, geef willekeurig de helft een rood petje en de andere helft een blauw petje, en meteen willen mensen dat ‘hun eigen groep’ meer en betere dingen krijgt ten koste van de andere en zijn ze empathischer tegenover mensen uit hun eigen groep. Dit heet het ‘minimal group’-paradigma – er is groepsvorming terwijl de basis daarvoor minimaal is – en het is een van de betrouwbaarste resultaten uit de sociale psychologie ooit. Mensen delen de wereld graag en snel in ‘wij’ en ‘zij’ in en zien de ‘wij’ automatisch als goed of beter.

Zo werkt het ook vaak bij identiteitspolitiek. Een achtergestelde groep richt zich tegen de dominante groep, de dominante groep richt zich tegen de achtergestelde groep, mensen uit beide groepen beginnen in de andere partij een gemeenschappelijke vijand te zien. Maar je kunt ervoor kiezen om niet zo te denken, schrijven Lukianoff en Haidt. Zij onderscheiden een tweede type identiteitspolitiek, waarbij je mensen niet mobiliseert op basis van een gemeenschappelijke vijand, maar op basis van hun gemeenschappelijke mens-zijn. Dat deed Martin Luther King toen hij mensen van alle rassen en religies „broeders en zusters” noemde en mensen aansprak op gedeelde waarden, zoals liefde. De tribalismeschuif naar beneden, de gedeelde menselijkheid omhoog.

Dus

Tegen het eind van het boek zetten Lukianoff en Haidt drie stellingen tegenover de drie Grote Onwaarheden, en die aanbevelingen lezen een beetje als tegeltjesteksten, maar wel tegeltjesteksten met wetenschap erachter. De eerste is het gezegde ‘prepare the child for the road, not the road for the child’: neem niet alle hindernissen weg voor kinderen, want dan leren ze niets en weten ze niet wat ze later met moeilijkheden aan moeten. De tweede is: je ergste vijand kan je niet zo schaden als je eigen onbewaakte gedachten. En de derde is: de lijn tussen goed en kwaad snijdt door het hart van ieder mens (zoals Aleksandr Solzjenitsyn schreef in De Goelag Archipel). Niemand is helemaal goed of helemaal slecht. Geef mensen het voordeel van de twijfel. Leer van hen.

Gaan de aanbevelingen van Lukianoff en Haidt alle polarisering en intolerantie wegnemen? Natuurlijk niet. Gaat dit artikel op sociale media bespot en afgekraakt worden? Zo zeker als de paus katholiek is. Maar kun je als mens je voordeel doen met de ideeën die Lukianoff en Haidt formuleren? Absoluut. En misschien wordt dan ergens de wereld een beetje beter.

Lees over de angst om te kwetsen in de VS: Indianenpak voor Halloween: is dat racisme?