Frank Ruiter

Peter Vandermeersch: ‘Het is een ongelofelijk eenzaam vak’

Afscheidsinterview Na negen jaar stopt Peter Vandermeersch als hoofdredacteur van NRC. Hij schudde de krant op, maar verloor zich soms in boosheid. ‘Ik liep naar de kerstborrel van 2014 met twee speeches. In een ervan stond: ik stap per direct op.’

Toen hij de dag na de aankondiging van zijn afscheid naar zijn werk fietste, viel Peter Vandermeersch opeens iets op. „Ik dacht: hé, ik fiets rechtóp.” Ik zei weleens dat ik naar de redactie fietste met veel zorgen, en naar huis fietste met nog meer zorgen. Nu voelde ik heel duidelijk: het is goed geweest. Er was echt een last van mijn schouders gevallen.” Tegelijk zijn z’n dagen sindsdien doordesemd met weemoed. „Ik heb drie echte kinderen, NRC is mijn vierde kindje. En ik zeg nu als een papa: ik laat jou gaan.” De ontroering is tijdens ons gesprek dan ook nooit ver weg. Af en toe gaat de servet tijdens het broodje pekelvlees even naar een ooghoek, of kruipt er onverhoeds onvastheid in zijn stem. Want „hoe moeilijk het soms ook is geweest, ik heb veel van deze krant gehouden.”

Terwijl hij vroeger nooit had kunnen denken dat hij op deze stoel zou belanden. Wie wordt er nou journalist om hoofdredacteur te worden? Vandermeersch (58) in elk geval niet. „Voor mij was het heel duidelijk: ik wilde Kuifje in Congo worden. Ik ben voor De Standaard in verschillende oorlogsgebieden geweest. Ik was correspondent in Parijs en New York. En ik was heilig van plan om dat heel mijn leven te blijven. Middenin de wereld, bovenop het nieuws. Besturen is nooit mijn ambitie geweest.”

In 1999 werd hij door de De Standaard gevraagd om terug te komen uit New York om hoofdredacteur van de krant te worden. Hij zei nee. „Ik schrijf zelf veel te graag. En ik vond mezelf te emotioneel om anderen te managen. Ik ga mij veel te snel boos maken. Dat kan niet bij een manager. Maar een van mijn allerbeste vrienden, Gert Ysebaert, overtuigde mij met één zin: ‘Als je nu nee zegt, wil ik nooit meer ’s morgens een mail van je krijgen met wat er allemaal niet deugt aan de krant’. Ik wist dat hij gelijk had.”

Vandermeersch was in 2010 al elf jaar hoofdredacteur van De Standaard toen NRC belde. „Dat was mijn droom; de beste krant uit het Nederlandse taalgebied, met een grotere redactie, die daardoor nog veel meer mogelijkheden bood. ” Achteraf had hij misschien wat meer moeten aarzelen. Zou dat wel werken: 249 Nederlanders die geleid worden door een Vlaming? „Ik was ervan overtuigd dat ik Nederland wel kende. Mijn ouders voedden mij op met Toon Hermans. Ik kan uit het hoofd hele conferences van Wim Sonneveld en Wim Kan debiteren . Sinds mijn zeventiende las ik NRC, Vrij Nederland en de Volkskrant. Het leek mij een thuiswedstrijd. Gaandeweg het tweede en derde jaar besefte ik: wát een andere cultuur…”

Hij voelde zich in het begin een vreemdeling op zijn eigen redactie. „Ik was twintig jaar journalist geweest bij De Standaard, wist: als ik hier op dit knopje druk, dan gaat dáár een belletje rinkelen. Ik kende iedereen, van de portier tot de CEO. Maar tijdens de eerste redactievergadering bij NRC met de chefs dacht ik de hele tijd dat Paul Steenhuis (toenmalig chef van de Achterpagina) de chef Buitenland was. Ik moest vragen waar ik een broodje kon bestellen en waar het toilet was. Terwijl de hele organisatie naar mij keek en dacht: daar zit onze nieuwe baas, die het allemaal precies weet.”

Lees ook: Wat gaat Peter Vandermeersch doen tijdens zijn sabbatical, wilde hij als kind altijd al journalist worden of wie is zijn grote voorbeeld?

Wat voor redactie trof je aan in 2010?

„Ik merkte twee gevoelens. Aan de ene kant een grote zelfvoldaanheid. Het stond in NRC, dus was het goed. Want wij bij NRC zijn beter dan alles en iedereen. Dat lelijke gevoel leefde bij veel redacteuren. Aan de andere kant heerste er een groot gevoel van onzekerheid: zijn wij wel goed bezig? Zetten we in een sterk veranderende wereld wel de juiste stappen? Ik vond het fascinerend hoe die twee verschillende gevoelens naast elkaar konden bestaan. Dat had ik nooit verwacht.”

Je vertelde de redactie dat je ‘hoofd en hart’ meer wilde verbinden. Was dat nodig?

Zeker. Het was een redactie die NRC-journalistiek verbond aan thema’s: politiek, buitenland, economie. En veel minder aan maatschappelijke journalistiek. We hadden buiten Hans Beerekamp amper een mediaredactie. Ik zei altijd: onze lezers zijn postmoderne mensen. Die willen weten wat er in het Witte Huis gebeurt, maar willen ook dat warmmenselijke interview lezen, en informatie krijgen over waar ze het lekkerst kunnen eten. We keken zeer neer op lifestyle. Nu weet ik ook wel dat lifestyle niet de essentie van een krant is. Maar zo’n katern laatst over wandelen in Nederland vind ik fantastisch. Dat is geen richtingenstrijd, dat gaat juist sámen. Wij zijn één krant. De redactie bestond destijds uit individuen die los van elkaar hun stukken maakten. De hoofdredactie was vooral bezig met de voorpagina. Elke dag om half twee kwamen ze naar mij toe met de voorpagina. Als ik vroeg: ‘En waarmee opent Boeken?’ dan wist men dat niet. Het was een grote verzameling van uitstekend geïnformeerde specialisten die allemaal hun eigen eilandje bestuurden. Dat leidde soms tot felle botsingen. Ik herinner me een conflict met Pieter Steinz. We besloten om de krant een nieuwe lay-out te geven. Pieter was het daar helemaal mee eens. Alleen niet voor Boeken. Ik heb toen met krachttermen die echt ongepast waren gezegd dat Boeken godverdomme óók zou meedoen. We gaven al lange tijd ballen aan films. Alleen bij boeken deden we dat niet. Chefs mochten dat namelijk zelf beslissen. En ja, ballen geven aan boeken, dat kon natuurlijk helemaal niet. Terwijl ik vond : als we een film van honderd miljoen achteloos twee sterren geven, dan kunnen we niet tegelijkertijd volhouden dat boeken daar te verheven en te cultureel voor zijn. Dat leidde tot felle debatten.”

Ik onderschatte het conservatisme van Nederlanders in het algemeen en NRC-lezers in het bijzonder

Soms vloog NRC met de nieuwe koers uit de bocht, erkent hij. Dat de krant na de zelfmoord van Antonie Kamerling in 2010 bijna de hele voorpagina aan de acteur wijdde, was geen slimme zet. Zeker niet omdat daarnaast in een schamele eenkolommer werd gemeld dat Vargas Llosa de Nobelprijs voor Literatuur toegekend had gekregen. „Achteraf denk ik: had die foto van Antonie iets kleiner gemaakt en dat bericht over Vargas Llosa iets groter. Ik merkte wel dat dat intern een toon zette: onder Vandermeersch is een Nobelprijs voortaan een eenkolommer, en de dood van een soapacteur de opening.”

Ook een deel van de buitenwereld reageerde zacht gezegd ongerust. De krant werd een tabloid, PVV-kopstuk Martin Bosma kreeg een column. Waar moest dit eindigen? „Ik onderschatte het conservatisme van Nederlanders in het algemeen en NRC-lezers in het bijzonder. ‘Wat is die gekke Vlaming met mijn krant aan het doen?’ Ik werd benaderd door een arts uit Groningen die mij ter verantwoording riep. Hoe ik het durfde om zo met zijn krant om te gaan. ‘Iedereen in mijn Rotary-club denkt er net zo over.’ Ik vroeg of ik het mocht komen uitleggen.”

En dus reed Vandermeersch kort daarna op een dinsdagavond naar Groningen. Daar zaten in een zaaltje zeventig heren op leeftijd hem op te wachten, de armen gekruist voor de borst. „Ik vroeg wie van hun NRC als zijn lijfkrant beschouwde. Alle handen gingen omhoog. ‘Zo te zien hebben sommigen van jullie vast ook al grote kinderen’, ging ik verder. Er klonk gegniffel. ‘Wie van hun beschouwt NRC óók als hun lijfkrant?’ Ruim de helft van de handen ging omlaag. ‘En sommigen van jullie zijn vast ook grootouders. Wie van jullie kleinkinderen beschouwt jullie krant als de hunne?’ Toen waren er geen handen meer. En ik zei: ‘Die krant die jullie zo geweldig vinden, wil ik naar jullie kinderen en kleinkinderen dragen.’ Ik kreeg een warm applaus en reed fluitend naar Rotterdam terug. Ik heb daarna wel vijftig van dit soort avonden bezocht. En op één of twee keer na eindigde dat altijd op die manier. Ik heb ze er toch van overtuigd dat deze gekke Vlaming de krant werkelijk naar de toekomst wilde brengen.”

Is dat gelukt?

„Voor een deel. De krant stijgt in oplage. Van alle nieuwe abonnees is een op de drie jonger dan 35. Weliswaar zijn dat digitale abonnementen. Maar we zijn niet op de wereld om papier op de markt te brengen, maar goede journalistiek.’

Je wilde een populaire kwaliteitskrant maken. Eigenlijk gewoon een tweede Volkskrant?

„Ik wilde vooral een heel goede kwaliteitskrant maken die geen taboes kent qua onderwerpen. Niets is bij voorbaat te klein of te licht. Je kunt geweldige verhalen maken over knooppunt Hoevelaken of een Van der Valk-restaurant. Ik trof twee kanten aan. Een NRC die dacht: zo hebben we het altijd gedaan en zo blijven we het dus doen. En een nrc.next dat heel vrolijk aan het experimenteren was. Steeds als ik zei: ‘Moeten we niet…?’ riep de NRC: ‘Wat een goed idee… voor Next’. Rond 2011 dreigde nrc.next in plaats van een zegen een vloek te worden. Alle vernieuwing werd daar geparkeerd. Dat gaf het Handelsblad een alibi om stil te staan en heel lange, soms onleesbare stukken te blijven maken. Daarom moesten die twee kranten het beste van beide krijgen.”

We zijn niet op de wereld om papier op de markt te brengen, maar goede journalistiek

Hoe vaak per week maakt NRC de beste krant van die dag?

„Je ziet dat de Volkskrant en NRC elkaar de lucht in hebben geconcurreerd. Toch maken wij bijna elke dag de krant die we willen maken: net iets bedachtzamer, net iets genuanceerder. Anders had ik wel bij de Volkskrant gesolliciteerd.”

Is het streven naar een ochtendkrant definitief losgelaten?

„Ik wilde heel graag naar de ochtend. Ik kom uit een land waar zelfs Le Soir een ochtendkrant is. Maar daarin heb ik Nederland onderschat. De klassieke Handelsblad-lezer wil de krant in de middag. Terwijl de nieuwe lezers de ochtend kiezen. Dat is de reden dat Next nu helemaal identiek is aan het Handelsblad. Middagdistributie is alleen erg duur. In de ochtend kun je meeliften met de andere kranten, in de middag niet. Naar Oude Pekela gaan met die ene NRC, dat gaan we binnen twee, drie jaar niet meer redden. We gaan de middaglezers er dus van proberen te overtuigen: kies de ochtend of neem een digitaal abonnement.”

De redactie moest in het begin enorm wennen aan je stijl van leidinggeven. Je stuurde regelmatig mails de hele redactie rond waarin je harde kritiek op stukken gaf.

„Dat zou ik nu niet meer zo aanpakken. Hoewel mijn brutaliteit soms nodig was. Dat zeiden sommige redacteuren ook: je schudde ons wel wakker uit onze zelfvoldaanheid. ‘Jullie dachten dat het allerbeste stuk over de Mocro-maffia bij ons stond. Maar nee, dat stond toch echt in de Telegraaf. Waar jullie zo op neer kijken.’ Maar ik zeg eerlijk dat ik geregeld te ver ben gegaan. Zoals een collega zei: ‘Je zette de ramen bij NRC open. Maar wel zo ver en zo langdurig dat het soms heel kil in huis werd.’ Ik had dat chiquer moeten aanpakken. Ik heb ooit gehakt gemaakt van het afscheidsstuk van een correspondent. Dat had ik nooit zo mogen doen. Omdat het zo expliciet over die ene correspondent ging. Als ik nu mails stuur naar de hele redactie, betreft het meestal lof. Kritiek houd ik meer persoonlijk.”

Frank Ruiter

Mensen moesten er ook enorm aan wennen dat je redacteuren af en toe de huid vol schold, in het bijzijn van anderen.

„Soms was stemverheffing nodig. Toch heb ik dat te veel en te bruut gedaan. Maar er werden ook dingen over mij gezegd die me diep raakten. Vooral als mensen mij betichtten van slechte bedoelingen. ‘Hij zit meer bij DWDD dan dat hij hier is.’ Dan dacht ik: dit is zó gemeen. Weet jij wel dat ik hier ’s ochtends al om half zeven ben? En dat ik hier ’s avonds na DWDD om negen uur weer zit?”

Was die boosheid een instrument dat je bewust inzette? Of was het een gebrek aan zelfbeheersing?

„Allebei. Het gebeurde weleens dat ik naar een vergadering ging en tegen mijn adjuncts zei: ik ga me zodirect even flink boos maken. Dan zette ik het in als instrument. Maar ik blijf Peter Vandermeersch. Ik heb het net iets te vaak echt zwart voor mijn ogen zien worden. Dan verlies ik mijn zelfbeheersing. Dat eerste is niet mooi, dat tweede is ronduit problematisch. Iemand die leiding aan 250 mensen geeft en over een budget van 100 miljoen gaat, moet zich kunnen beheersen. Ik ben een aantal keren lelijk uitgevallen naar mensen. Daar heb ik spijt van. Niet dat dat elke dag gebeurde natuurlijk. Maar ik heb dingen tegen mensen gezegd die niet kunnen. Als je een chef in de vergadering toebijt: ‘Man, jij weet niet wat journalistiek is’, ga je echt over de schreef.”

Het was het allemaal dubbel en dwars waard

„Ik heb mij nooit eenzamer gevoeld dan in 2014. De wittebroodsweken waren allang voorbij, we hadden een stevige reorganisatie achter de rug. Ik had inmiddels mijn fouten gemaakt, met optredens buiten en binnen de krant. Ik dacht: heb ik er eigenlijk wel goed aan gedaan? Heb ik niet te hoog gegrepen? Was het geen hybris? Eind 2014 introduceerden we een andere manier van werken. Dat bleek een lont in het kruitvat. Die crisis ging in feite niet over die andere manier van werken, die ging over de stijl van de leider. Er ontstond een stemming van: het is zo wel goed geweest. Peter heeft de zaak opgeschud. Nu is het tijd voor een ander. Ik heb eind 2014 veel slapeloze nachten gehad. Bij mijn drie adjuncts was dat net zo. De hoofdredactie heeft een app-groep. Als je in die tijd om drie uur ’s nachts iets in de groep postte, hadden ze dat om half vier alle drie gelezen. Zodat je wist: we liggen nu alle vier wakker.

„Rond Kerst 2014 heb ik serieus overwogen om op te stappen. Ik zat er vier jaar, de overgang van Egeria naar Mediahuis was bijna afgerond. Ik dacht: misschien is dit mijn rol wel geweest. Ik vertel nu iets wat vrijwel niemand weet: toen ik de trap afliep om de redactie toe te spreken bij de kerstborrel had ik twee speeches in mijn zak. In mijn linkerzak zat een speech met: ‘Ik heb fouten gemaakt. Daarom stap ik nu per direct op.’ In de rechterzak zat een speech: ‘Ik heb fouten gemaakt, maar misschien kunnen we daar samen van leren.’ Pas op die trap besloot ik: ik kies voor de rechter. Omdat ik wist: als ik nu ga, dan is mijn hoofdredacteurschap een mislukking geweest. Het moeilijkste is nu achter de rug. Ik heb met de spade de aarde omgewoeld en zaden geplant. Nu komt juist de tijd van oogsten.”

Lees ook de afscheidsspeech van Peter Vandermeersch

Stel je voor dat je in de verwarring per ongeluk in de verkeerde zak had gegrepen.

„Ach man, ik was de afgelopen weken opnieuw zó blij dat ik niet in die andere zak heb gegrepen.”

Het zijn harde jaren geweest, zegt Vandermeersch. Slopend ook vooral. „Je werkt van zes uur ’s ochtends tot middernacht. Ik sprak erover met Folkert Jensma. Die heeft na zijn hoofdredacteurschap ook een sabbatical genomen van vier maanden. Ik vroeg wat hij toen gedaan heeft. Hij zei: ik heb drie maanden geslapen. Dat kan ik me helemaal voorstellen. Ik ben zo ontzettend moe. Al hoop ik dat de redactie dat de laatste twee jaar niet gemerkt heeft.”

Een privéleven was er ondertussen nauwelijks. Zijn vrouw werkt op een advocatenkantoor in Brussel. Haar zag hij alleen in de weekends. ‘Zij heeft onze zoon opgevoed. Ik heb die jongen bij wijze van spreken de hand geschud in het laatste jaar van de basisschool en zie hem nu weer terug in zijn eerste jaar op de universiteit. Dus je betaalt een flinke prijs. Je ziet je kind niet opgroeien, je vervreemdt van je vrouw. Wat dat betreft is het een ongelofelijk eenzaam vak. Al ben ik gezegend geweest met geweldige adjuncts. Toen ik hoorde dat mijn zus kanker had, waren zij de eersten aan wie ik dat vertelde. Dat laat tegelijkertijd zien hoe eenzaam dat bestaan is. Je zit dan toch alleen in Amsterdam. Ik heb er natuurlijk over gebeld met mijn vrouw. Maar de eerste levende mensen met wie ik zoiets deelde, waren mijn adjuncts.”

Of dat het allemaal waard was? Hij knikt nadrukkelijk. „Toen ik op de redactie vertelde dat Marcella Breedeveld en ik in september vertrekken, kreeg ik na afloop applaus.” Opeens zeer geëmotioneerd: „Dat applaus was zó warm. En het bleef maar duren. Marcella en ik stonden aan die middentafel samen te wenen, terwijl de redactie maar bleef klappen. Dan weet je: het was het allemaal dubbel en dwars waard.”

In september wordt hij correspondent voor de krant in Parijs. Of hij zichzelf daarmee eigenlijk niet een mooi cadeau meegeeft? „Tot op zekere hoogte is dat zo. Je kunt je afvragen of dat wel zo netjes is. Ik heb er met mijn collega’s in de hoofdredactie ook over gesproken, stelde nog voor om erop te solliciteren. Maar zij riepen in koor: ‘Jij bent geknipt voor deze baan.’ Ik verheug me er enorm op. Uiteindelijk is verslaggever toch het allermooiste vak: de wereld via je notitieblokje doorgeven aan de lezer.”