Hebberig

Ik heb lang gedacht dat de stad van mij was. Het was een tijd waarin ik hebberigheid nog niet als zodanig herkende. Ik fietste hier rond zoals onze kat soms door de achtertuinen in het Oude Noorden liep, stralend van misplaatste hooghartigheid. Nou ja, misplaatst, ik heb hard gewerkt om Rotterdam te leren kennen. Als kind deed ik dat door brieven te posten voor mijn moeder, want dat scheelde haar weer een postzegel. Voor mij was het een avontuur om nieuwe stukjes stad te leren kennen, gewapend met een kaart op zak.

Op een schoolfeest in een club zoende ik op mijn dertiende met een jongen op wie ik prompt verliefd werd. De blonde jongeling woonde op de Mathenesserdijk, toen nog volledig onontgonnen gebied. Ik besloot op verkenningstocht te gaan. Het bleek een ellenlange straat die uitkwam in een desolaat havengebied. Ik voel nog de zucht van verlichting toen ik na wat voelde als een eeuwigheid de Euromast in beeld kreeg, eindelijk terug op bekend terrein.

Later dronk ik een veelvoud aan kroegen tot mijn habitat. Menig barman werd ontwapend met de bestelling van bier en een oude borrel. Gestaag werd de stad een warme deken van herkenning, vol straten, gebouwen en mensen om mij tussen te nestelen. Het zorgde voor verankering, een fundament van mijn persoontje. Rotterdam, dat was ik. Vandaar dat ik nooit serieus heb overwogen om naar een andere stad te emigreren, het koude zweet brak me al uit bij het idee.

Ik droom zelfs regelmatig dat ik in Amsterdam ben en de trein naar Rotterdam niet kan vinden. De nachtmerrievariant op het liedje De Laatste Trein naar Rotterdam, van Dorus.

Dat gevoel van verlorenheid overvalt me de laatste tijd ook overdag. Dan schrik ik op van een verdwenen winkel of zucht ik mistroostig bij de aanblik van weer een nieuwe hotspot. Afgelopen vrijdag poogde ik, op veilige afstand van de volksmassa op de Witte de Withstraat, een borrel te drinken in een normaal gesproken rustig etablissement in het Scheepvaartkwartier. Een studentenverjaardag zorgde voor onverwachte, afgeladen drukte. Alsof dat nog niet genoeg reden was om korzelig te worden, vroeg mij een jongeling, terwijl ik mij moeizaam een weg richting toilet baande: ‘Spreek je Nederlands.’ Werd ik verdorie voor toerist uitgemaakt in mijn stad door iemand die nota bene een Brabander bleek te zijn! Zijn kompaan, inmiddels goed geïntegreerd, met ‘r’ en zonder zachte ‘g’, had toevallig net een spiksplinternieuwe hotspot geopend op een steenworp afstand. Ik bedoel maar.

Hoera, nog meer snacks van topkwaliteit, weer een cocktailbar, nog zo’n nietszeggende baardenkroeg. Verandering als enige constante, het zou moeten wennen, maar dat doet het niet. De stad glipt langzaam door mijn vingers. Mijn stad!

Hebberigheid is geen fraaie eigenschap, dat weet ik inmiddels. Het is zelfs een hoofdzonde, als ik me niet vergis. Maar langzaamaan verandert mijn genegenheid voor de stad in ongastvrije eenkennigheid. Als dit zo doorgaat verhuis ik straks Gerard Cox achterna om vanuit de Hoeksche Waard zure columns over mijn verloren Rotterdam te schrijven. Ik hoop van harte dat het niet zover komt.

Gelukkig trof ik laatst een verslaafde die zat te basen op de Gouvernestraat. Nog niet alles is verloren.

Deze week schrijft Mirjam de Winter geen column, zij wordt voor deze keer vervangen door Tara Lewis.