Recensie

Er komt een zwart gat op de achtjarige Nicolas af

Anne Eekhout Het is onherroepelijk: er komt een zwart gat op de aarde af, dus alle leven gaat binnenkort eindigen, ook dat van de achtjarige Nicolas. Anne Eekhout blinkt in haar derde roman uit in beklemming.

Wat hebben we daar? Een zwart gat. Het nadert tussen de sterren, in volle vaart, het zal de aarde opslokken. Iedereen gaat dood. Jij ook. Wat nu? Kan iemand als de donder superheldenkracht ontwikkelen? De premisse van Nicolas en de verdwijning van de wereld van Anne Eekhout (1981) doet denken aan een kinderboek, helemaal als er, direct bij aanvang, sprake is van een geheim kistje onder het bed van de achtjarige hoofdpersoon, gevuld met raadsel. Iets duisters, krachtigs en verbodens…

Maar Nicolas en de verdwijning van de wereld is geen kinderboek. Niets komt erin goed, niets is om te beginnen goed. Het is benard, grimmig en zwartgallig. Met of zonder ramp in het verschiet is het gezin waarin Nicolas opgroeit, hopeloos. Zijn moeder is verslaafd, of wás verslaafd en kan elk moment terugvallen, zijn vader is dikwijls weg zonder te melden tot wanneer. Het huis is te klein en vies, zeker nu er een baby bij komt. Heel het boek door is die baby aan het sterven. Heel het boek door hoop je dat ze het toch redt. Intussen trekken bendes plunderend door de straten, is er schaarste, en verhangt een meester op Nicolas’ school zich maar vast, net als veel anderen.

Eekhout blinkt uit in beklemming. Haar verbeelding is rijk. Ze geeft het gevoel dat erachter dit boek nog allerlei ‘schaduwboeken’ schuilgaan. Ze zet als het ware je verbeelding aan. Je vangt door Nicolas’ ogen steeds glimpen op van het verhaal van zijn moeder, zijn vader, de buurvrouw, de juf en bedenkt de rest erbij. Zo houdt Eekhout je sterk betrokken. In het boek klinken echo’s door van andere hedendaagse auteurs die daar ook in uitblinken, zoals Hanna Bervoets, Esther Gerritsen en Gideon Samson.

Twee jaar geleden brak Eekhout een lans voor ‘pure fictie’, voor het boek dat, zoals dit, helemaal verzonnen is, van begin tot eind. Dat zou waardevoller, want ‘krachtiger’ zijn dan fictie met een autobiografische insteek. Nog afgezien van de vraag of dit kan, of het wel bestaat (een schrijver haalt zelfs een sprookje toch zeker ergens vandaan), maakt het natuurlijk niet de waarde van een boek uit. Dat doet de stijl. Daarin schiet Eekhout soms nog wat tekort, ondanks mooie beeldspraak als: ‘De deken lag als een nachtslang [...] op het matras’. Zo’n beeld sleept je direct mee, dat werkt, pas later denk je onwillekeurig: wat is een ‘nachtslang’ eigenlijk?

Vreemd onmachtig echter beschrijft Eekhout hoe ontredderd de premier op tv is. Hoe die slikt als ze de komst van het zwarte gat aankondigt: dat is al te uitvoerig en dik aangezet, waardoor het niet goed binnen het perspectief van de achtjarige past. Elders vliegt Eekhout echt uit de bocht: ‘In de spiegel kijk ik niet naar mezelf’, vindt Nicolas dan, ‘maar naar een jongen die zichzelf niet meer is, die groter werd. Zijn ogen hebben dingen gezien. Zijn armen hebben pijn gedaan.’ Dat klinkt te ouwelijk, onecht. Gelukkig slaagt ze er meestal juist wél goed in Nicolas’ kinderblik op de duisternis rondom te vangen. De kleur van limonadesiroop blijft van belang, ook als de wereld vergaat. Pasta en vermicelli zijn vies. En later als hij groot is, wordt hij striptekenaar – zelfs nu er geen later komt.

    • Judith Eiselin