Recensie

De westerse mens is zo onvolwassen

Yves Petry De mens beseft nauwelijks dat hij er is, gemakshalve helpt hij de ander om van al het gezeur af te zijn.

Een opvallende literaire trend is de herneming van het eigen materiaal: schrijver schrijft boek en roept daarvoor oude personages opnieuw onder de wapenen. Zo hernam Peter Terrin voor Yucca personages uit Blanco en Post Mortem, was er in Merijn de Boers verhalenbundel De geur van miljoenen sprake van een familie Van Mosselveld, net als in zijn roman De nacht, en noemde deze krant Robert Vuijsjes recente Salomons oordeel een ‘herneming’ van zijn stofopwaaiende debuut Alleen maar nette mensen. De Vlaming Yves Petry (1967) haakt bij deze ontwikkeling aan door in zijn nieuwe roman De Geesten Jasper en Kristien Fielinckx op te voeren, een broer en een zus met wie de lezer al kennismaakte in Petry’s vorige roman, het pesterige, gelaagde Liefde bij wijze van spreken (2015).

Ontgaat je iets als je dat werk niet hebt gelezen en nu De Geesten in handen hebt? Nee, ik geloof niet dat beide boeken zozeer plotverbonden zijn. Wel doe je er goed aan om te zien wat Jasper en Kristien voor Petry zijn, wat hun functie is voor de verhalenverknoper en cultuur- diagnosticus die hij is. Want ze mogen dan wel niet het middelpunt van beide vertellingen zijn , ze zijn op een ander niveau, als tegenwicht, wél van doorslaggevende betekenis. Op jonge leeftijd verloren ze hun ouders bij een verkeersongeluk en deden zo ervaring op met dood en lijden. Hun karakter kreeg er een dimensie bij. Ze kennen, zoals het in een gedicht van Kees Spiering heet, het klappen van de zeis. Ze nemen de lichtzinnigheid, de naïviteit, de goede bedoelingen van anderen met de nodige scepsis waar. Kristien doet dat ingetogen, analytisch, Jasper eerder zwartgallig en, waar uitgedaagd, expressiever.

Mentale onvolwassenheid

In het, met name intellectuele, krachtenveld dat De Geesten is, laat Petry zijn Mark Oostermans, de verteller, hier tegenaan lopen. Nadat hij illusieloos uit Afrika is teruggekeerd, waar hij enkele periodes als derde-wereldarts werkzaam was, doet hij ons zijn verhaal uit de doeken. Een verhaal dat je vanwege het toch behoorlijk spectaculaire einde zomaar aan kunt zien voor een avonturenrelaas, terwijl het in wezen nooit iets anders is geweest (dit is geen kritiek) dan een geestelijk vormingsverhaal. Het pijnlijke van Oostermans is alleen dat hij zijn Bildung een stuk later afrondt dan gebruikelijk. Hij ziet betrekkelijk laat de realiteit onder ogen.

Dit is de echte kern van De Geesten: de mentale onvolwassenheid van de seculiere, westerse mens en het vooruitgangsdenken dat eruit voortvloeit. Of: we hebben zo weinig notie van wat het betekent om er te zijn, dat we gemakshalve maar een ander helpen om van het gezeur af te zijn. Mark staat symbool voor die infantiliteit, iets wat tot in lengte van dagen aan hem was blijven kleven als Kristien hem er, in de tijd dat hij afstudeerde als arts, niet op had gewezen. Ze zijn op dat moment geliefden, opgeruimde geliefden, wat er op neerkomt dat ze zich licht tot elkaar verhouden en vrolijke, giechelende seks hebben. Dit bevalt Mark beter dan Kristien. Tijdens een ruzie wijst ze hem terecht door hem een onnozele minnaar te noemen. Waar Mark de zestienjarige in zichzelf koestert, daar ‘haat’ haar broer het. ‘Voor bepaalde mensen is seks een taal’, zegt Kristien. ‘Seks moet iets te zeggen hebben, anders interesseert het ze geen barst.’

Lees ook dit interview met psychiater Dirk De Wachter: ‘De westerse mens is overprikkeld, egocentrisch en hoogmoedig’

In een zuiver realistische roman zou zo’n opmerking bij Mark natuurlijk óók door merg en been gaan, maar zou een eventuele oplossing gezocht worden in therapie, roes of (het verstandigst) schouderophalerij. Maar De Geesten is in grote mate een symbolische roman, en dus besluit Mark om welzijnswerk in Afrika te verrichten en dus het, door hem veronderstelde, goede te doen en zo als mens te groeien. De organisatie waar hij zich aan verbindt heet Dokters Zonder Kleur en is een verzameling hoogopgeleiden die ervan overtuigd zijn dat dweilen met de kraan open het morele summum is.

Kleurloze engelen

Petry veegt de spreekwoordelijke billen af met die overtuiging. De reden dat ik dat durf te stellen is gegrond in het literaire, want daar in Afrika valt eigenlijk pas goed op hoe mat de vertellersstem van Mark al die tijd is geweest. Als tegenpool voert Petry daar namelijk de welbespraakte, charismatische Jeroen Ullings op, Marks meerdere en de wandelende echo van Kurtz uit Joseph Conrads Heart of Darkness. Ullings foetert naar hartenlust op de ‘kleurloze engelen die boven alle kwaad verheven zijn’, een verwijt gericht aan de boven alle discussie verheven Hulp, maar ook aan karakterslapte van de mensen die de hulp uitvoeren. Ullings vindt zijn ‘verlichte medemens’ maar ‘verdomd saai’. ‘Je kunt bijna altijd raden wat hij gaat zeggen nog voor hij zijn mond heeft open gedaan. Hij zegt al een halve eeuw niets nieuws meer.’ Ullings’ tirades zijn het beste, meest prikkelende deel van de roman. Over Jezus: ‘Hij besefte dat hij zich door hen aan twee palen moest laten nagelen om van blijvende betekenis te kunnen blijven.’ Die kan op een tegel.

Maar het is ook wat veel en aan elkaar gesoldeerd allemaal, want hiernaast lijken Oostermans en Ullings ook nog weer symbool te staan voor ‘de’ criticus of enkelen uit het professionele lezersgilde: de goede lezer had al door dat hun namen verwijzen naar mijn collega’s Vullings van Vrij Nederland en Cloostermans van De Standaard. Waar Arthur Japin het in Liefde bij wijze van spreken moest ontgelden, daar is de nu de arme recensent de sjaak. Toch? Ik kwam er niet helemaal uit, het kan ook de lezer in het algemeen zijn. Weinig is veilig, en op de beste momenten is Petry tartend als Houellebecq.

Maar een roman is geen synoniem voor een handvol prikkelende ideeën. Je verblijft tien, vijftien uren in een atmosfeer die, dat is het mooist, nieuw maar toch vanzelfsprekend is. En zo opeisend is Petry’s proza helaas niet, waarin toch tamelijk slome dialogen staan, vaak iets ‘opeens’ of ‘ineens’ verandert en waarin ook wel heel veel gemitst en gemaard wordt, alsof er telkens iemand een ballon opblaast en er daarna weer wat lucht uit laat ontsnappen. Aan Petry’s opmerkingsgave zal het niet liggen, maar de muziek schiet er een beetje bij in.