Foto Lars van den Brink

De vegetarische bokkenboer: ‘Ik ben hopeloos principieel’

Lydia van Maurik (40) is oprichter van de ‘Bokkenbunker’. Als boerin probeert ze jonge bokjes, die in de geitenhouderij praktisch waardeloos zijn, een langer leven te geven. „Elk jaar worden zo’n 150.000 bokjes geslacht, dat slaat nergens op.”

In de schuur achter de boerderij langs de Lekdijk in Schalkwijk, onder Utrecht, ontvangen drie uit de kluiten gewassen bokken nieuwsgierig snuivend het bezoek. Terwijl Lydia van Maurik koffie haalt, gluur ik in de vrieskist in de schuur. Bokkengehakt, bokkenbout, bokkenschenkel, bokkenribbetjes: een kist vol ‘mannenvlees’. Mannetjes zijn in de geitenhouderij, waar het om de melk voor de geitenkaas draait, praktisch waardeloos. Ze op de boerderij laten opgroeien en vetmesten is duurder en ingewikkelder dan ze na vier weken slachten en het vlees exporteren naar landen waar ze wél van geitenvlees houden. Lydia van Maurik (40) vond dat krom. Ruim een jaar geleden vertelde ze tegen NRC kort over haar Bokkenbunker, waarmee ze probeert jonge bokjes een langer leven te geven – ook een manier om voedselverspilling tegen te gaan. „Je belt me op een kantelpunt”, zei ze toen. Je hoorde haar vermoeidheid door de telefoon. Omvallen of doorgaan was het. Ze ging door. Ze is geen boerendochter en ze eet geen vlees. Vanwaar dan die bokjesbekommernis?

Ze trekt haar regenbroek uit en houdt haar muts op. Ze schenkt koffie in emaillen bekers. Straalkacheltje aan, het is koud in de schuur.

Niet alles valt te verklaren uit het feit dat Lydia van Maurik, geboren als Lydia Wever, een domineesdochter is. Maar wel iets. Ze groeide op in Friesland, om de zoveel jaar een nieuwe gemeente, maar overal boeren. Boeren die volop meegingen in de schaalvergroting en tot hun nek in de schulden zaten, boeren die hun boerderij moesten opgeven, de nood van kleine rommelboeren, klasgenootjes die ineens verhuisden omdat ze weg moesten van de boerderij. Dat kreeg ze mee op de achtergrond. En in die protestantse kerk en van haar ouders: het maatschappelijk bewustzijn. Eerbied, dankbaarheid voor alles wat je gekregen hebt en waar je dus voor moest zorgen. „We namen dat heel letterlijk. Een vogeltje dat uit zijn nest was gevallen kreeg ook onderdak.”

Koppig en principieel was ze ook als kind. Ze wilde boer worden, maar níét op een groot bedrijf en níét slachten. Op haar vijftiende werd Lydia van Maurik vegetariër. En dat bleef ze. Ze ging niet naar de landbouwschool maar koos voor jongerenwerk. Per toeval, omdat ze piano speelde en best aardig bleek te kunnen zingen, belandde ze in haar studententijd in de muziek. Ze werd godsdienstleraar, „maar dat zag ik altijd als een bijbaan. Muziek is het belangrijkste pad in mijn leven.”

„Muziek die eindelijk weer eens ergens over gaat”, schreef NRC-recensent Jan Vollaard in 2013, toen het album Hope Sign Community uitkwam, dat ze met haar man en een van haar bands, Eins Zwei Orchestra, maakte. Het móét ergens over gaan. Altijd. Al vertelt ze, zonder die woorden te gebruiken, licht over de manier waarop alles in het leven ergens over moet gaan.

Toen Utrecht te duur werd, betrok ze in een dorp verderop aan de dijk, Tull en ’t Waal, een oude pastorie met haar man en een ander stel. Het werd een soort retraite-oord, waar mensen die het moeilijk hadden een tijdje konden bijkomen. Ongedocumenteerde asielzoekers, daklozen, mensen met psychische problemen. „Ik vind het nog steeds gek als iemand op een feestje vraagt: welk glas is van mij. Ik ben een woongroepmens, dan deel je gewoon.”

Toch was het niet makkelijk. De woongroep was dat niet, en als docent opgaan in het onderwijssysteem, „systeempje op systeempje op systeempje”, al helemaal niet. Zwaar werd het pas echt toen ze het pleegouderschap van een klein jongetje, met wie het heel slecht ging, op zich namen en het kind na maanden van onduidelijkheid toch weer weg moest. „Dat was zo schadelijk, vooral voor hem. Ik zat altijd vol idealen maar toen was ik af en toe even heel cynisch.”

Geiten zijn grappig, brutaal en nieuwsgierig. Dus ik dacht: geiten en pubers, een perfecte combinatie

Maar idealisme is een hardnekkig kruid. Inmiddels was ze begonnen met een deeltijdopleiding biolandbouw, met als ideaal om op den duur op een boerderij een woongroep voor jongeren te kunnen beginnen. Haar laatste stage was bij een biologische geitenhouderij in Vorden en daar ontdekte ze hoe leuk ze geiten vond. „Koeien zijn goedmoedig en serieus, maar ook een beetje eng omdat ze zo groot en sterk zijn. Geiten zijn grappig, brutaal en nieuwsgierig. Dus ik dacht: geiten en pubers, een perfecte combinatie.”

Op die boerderij werd ze zich bewust van het bokjesprobleem. „Ik heb er op zich niet zoveel moeite mee om dieren dood te maken als ze een leven hebben gehad. Maar bokjes worden geslacht voordat ze zes weken zijn, omdat het daarna te duur wordt om ze te voeren en de boeren hun veestapel niet zomaar kunnen uitbreiden. De schaal waarop we dat doen, elk jaar zo’n 150.000 bokjes, slaat nergens op.”

Aan het einde van haar stage, eind 2015, kreeg Lydia zes bokjes mee. Ze zou ze tot minstens een half jaar ‘afmesten’, vetmesten voor de slacht. Zes bokjes met een iets langer leven.

Dat kun je symboolboeren noemen. Zes geitjes zijn niks, en de 75 die ze op het hoogtepunt grootbracht ook niet. Het doel was dan ook niet om zoveel mogelijk bokjes zelf af te mesten, dat zou eigenlijk moeten gebeuren op de boerderij waar ze geboren waren. Maar Lydia van Maurik kon als ‘bokkenpiloot’ met haar ‘bokkenbunker’ wel haar boodschap overbrengen: iedereen, van boer tot kok, moest samenwerken om bokjes een waardiger bestaan te geven. En het bokjesprobleem is een systeemprobleem.

„We zijn het gevoel voor kringloop kwijtgeraakt. Vroeger had je gemengde bedrijven waar niets verloren ging en waar alle dieren waarde hadden. In het huidige gespecialiseerde systeem moet alles economische waarde hebben. De hoogste productie tegen de laagste prijs. Het vlees van de melkkoe kan niet concurreren met dat van de vleeskoe, dus koeien die te weinig melk geven zijn afval. Bij bokjes is het nog nijpender, die worden als ‘reststroom’ geboren. Niet gek dat het soms voorkomt dat ze bij de geboorte een tik achter de oren krijgen. Levend afvoeren is duurder.”

Dat probleem kon Lydia van Maurik niet oplossen. Dat konden geitenboeren ook niet oplossen. „De wil was er wel, de sector was er ook al mee bezig, maar het valt niet mee om ook nog bokjes af te mesten op een boerderij met honderden geiten. En daarna raak je ze niet kwijt.”

Slachterijen, vleesverwerkers, groothandels, horeca – iedereen moest afname garanderen en zijn deel meebetalen om een langer bokjesleven rendabel te maken voor de geitenhouder.

Lydia van Maurik kocht speenemmers, poedermelk, omheining. Ze vond afnemers en koks. Liet een mooie website maken. Draafde overal op om als „vegetarische bokkenboer” haar verhaal te vertellen. „Dat heb ik natuurlijk wel uitgebuit, ik zag ook wel dat ik als vegetariër een goed verhaal had.”

Maar ze was ook heel naïef, zegt ze nu. Er waren genoeg mensen die met bokjesvlees goede sier wilden maken, maar alleen een enkeling committeerde zich echt en zelf verdiende ze er niets aan. „De sluitpost was ik.”

Toen kwam dat kantelpunt, eind 2017. Bijna failliet, bijna burn-out. „Ik heb alle boeren en afnemers gemaild en gezegd: ‘Kom over de brug. Dit is niet mijn probleem. Ik stop ermee.’ Ik wilde niet meer iets doen wat alleen maar moeilijk is.” En toen ging het snel. De vereniging van biologische geitenhouders zette vaart achter de oprichting van de coöperatie Bio Goat Meat, waar ze bijna alle veertig lid van werden. De Bokkenbunker werd ‘geadopteerd’ en Lydia werd voortaan betaald voor haar werk als ambassadeur. In 2018 brachten acht boeren 700 biobokjes tot zes maanden groot op hun eigen boerderij. Op den duur is het doel voor alle 10.000 biobokjes om ze op de eigen boerderij af te mesten. Zoveel mogelijk bokjes die nog wél met zes weken naar de slachterij gaan, blijven tot de slacht op het eigen erf, zodat ze niet naar een gangbare afmesterij hoeven, waar veel sterfte is.

Ooit wilde de wetenschap begrijpen waarom iemand vegetariër zou willen worden, nu ook waarom iemand vlees blijft eten. Lees ook: Vlees eten, hoe gek is dat?

Van Maurik bracht vorig jaar haar laatste vijftig bokjes groot, haar coördinerende rol droeg ze over aan iemand met gevoel voor horeca en marketing. De tien volwassen bokken die ze nu nog heeft, zijn voor recreatief gebruik. „Ik was ook niet meer de juiste persoon – als het groot wordt, gaan er ook dingen anders dan je zou willen en ik word bij het minste of geringste witheet. Ik ben hopeloos principieel.”

Dat blijkt ook als ze weer terugkomt op de gangbare, grootschalige landbouw en de mens die, volgens Van Maurik, ten koste van bodemleven en biodiversiteit de natuur voortdurend naar zijn hand probeert te zetten. Ja, natuurlijk heeft dat principiële met godsgeloof te maken, zegt ze. „Ik ben niet zo bezig met de ziel, ik kijk naar de aarde. Hoe kun je denken dat je het beter kunt dan God? Los het op binnen dit regelsetje.”

Het woord eerbied komt weer terug. „Verootmoediging.” Niemand kent het nog. Noem het respect, overgave, bescheidenheid. „Er zit ook iets geruststellends in. Je bent deel van een groter geheel, wat je niet overziet, maar waarin je je wel geborgen mag voelen. Dat geeft een ander perspectief op jezelf en de wereld.”