Opinie

De Tempel

In 010

Op de warmste 25ste februari ooit ging ik naar landgoed De Tempel op de grens van Overschie en Delft. De zon scheen, de vogels kwinkeleerden, de jas kon uit, de sjaal af. Bij het toegangshek aan de Delftse Schie wachtte de gids, een vriendelijk uitziende oudere heer met een hip grijs staartje.

Hij zei dat hij bioloog was en derhalve meer wist van de natuur dan van het landhuis zelf. Wel wees hij bij de entree op een beeld van de zeegod Neptunus, geflankeerd door twee riviergodinnen, nog uit de tijd dat hier een waterval stroomde. De eerste vermelding van het buiten dateert van 1485 toen het in bezit was van de adellijke familie Van Cralingen. De laatste particuliere eigenaar, steendrukker Van Beek, sloopte in 1937 de oude bebouwing, zo wist de gids, en liet er het huidige neoclassicistische landhuis neerzetten.

Maar goed, de natuur, daar draaide het vandaag per slot van rekening om. Het fluitenkruid bloeide uitbundig, wat volgens de gids uitzonderlijk vroeg was. Even verderop groeide een verzameling sneeuwklokjes, aan de aarde ontsproten zonder dat er één vlok was gevallen. „Toch lijkt het op een tapijt van sneeuw, als je het van veraf ziet”, sprak de gids beeldend.

Hij vertelde met genegenheid. Over de vele vleermuizen die zich op de buitenplaats thuisvoelen vanwege de overvloed aan holle bomen. Over de reigers- en ooievaarsnesten, de dikste eik van Rijnmond, het speenkruid en de wilde krokus. We liepen over iele bruggetjes langs het voormalige koetshuis, het oude tuinhuis, de met gras begroeide tennisbaan en het werkhok waar vroeger de zagerij zat. Vergane glorie, want De Tempel is als landgoed al decennia buiten bedrijf. Het wordt nu alleen nog anti-kraak bewoond.

Op de grens van de slotgracht met de A4 viel ons oog op een romantische theekoepel, herinnerend aan de tijden van weleer, met binnenin lichtblauwe schilderingen van een vrouw die een eekhoorn voedt.

Op een dak zagen we drie pauwen. „Auwauwauw”, riep de gids met schrille stem. „Auwauwauw”, klonk het drie keer terug. We bewonderden de hazelaar en de els, beide al in volle bloei. „Klimaatverandering”, mompelde de gids. „Rotterdam zal verdrinken, misschien wel eerder dan we denken.”

Willem Pekelder