Recensie

De ‘sfinx van Boijmans’ en de nazi-cultuurpolitiek

Dirk Hannema De biografie die Wessel Krul schreef van Dirk Hannema, museumdirecteur en collaborateur, is ook een prachtige kroniek van de Nederlandse kunstwereld.

Dirk Hannema leidt hoge nazi’s rond in museum Boijmans
Dirk Hannema leidt hoge nazi’s rond in museum Boijmans Foto Collectie Boijmans

Bint bestond. In zijn gelijknamige roman uit 1934 modelleerde F. Bordewijk het personage van de schoolleider die de leerlingen ijzeren tucht oplegde, naar de rector van het Haagse gymnasium dat hij zelf had bezocht. Hoewel deze Th.P.A. van Aalst nu ook weer niet de brute tiran uit de roman was, schijnt hij voor sommigen een angstwekkende, bijtend sarcastische leraar te zijn geweest. In zijn biografie over museumdirecteur Dirk Hannema (1895-1984) beschrijft Wessel Krul hoe zijn hoofdpersoon, tien jaar na Bordewijk, op dezelfde school zat. Opvallend is dat Hannema voor de rector een ‘heimelijk respect’ koesterde en hem gaandeweg ‘zelfs begon te bewonderen.’

We zijn dan nog niet tot een tiende gevorderd van dit lijvige boek. De biograaf plant alvast een zaadje voor de uitwerking van een van de hoofdthema’s in Hannema’s leven: zijn belangstelling voor het autoritaire leiderschap van het fascisme in de jaren twintig en dertig, en zijn betrokkenheid bij de nazi-cultuurpolitiek in de oorlogsjaren.

Daarnaast spint de auteur het begin van een tweede rode draad, als hij vermeldt dat Hannema in 1915 leiding gaf aan een scholieren-initiatief om de hooggeschatte rector in diens 65ste levensjaar te eren met een portret. Het kunstwerk zou moeten worden gemaakt door niemand minder dan de gevierde schilder Jan Toorop. Het voor een groep gymnasiasten nogal hoog gegrepen project, illustreert Hannema’s ontluikende belangstelling voor de beeldende kunst.

Die interesse zou Hannema voeren naar belangrijke posities in de museumwereld, en dan met name naar het directeurschap van het Rotterdamse Museum Boijmans. Zij bracht hem ook in de even netelige als sensationele affaire waaraan zijn naam voor altijd verbonden zal blijven: de aanschaf van een valse Vermeer.

Eigenzinnige man

Wessel Krul (1950), emeritus hoogleraar moderne kunst- en cultuurgeschiedenis in Groningen, laat zich in deze biografie echter niet meeslepen door die opzienbarende aspecten van het leven van Dirk Hannema. Hij neemt alle ruimte voor het beschrijven van het hele leven van zijn hoofdpersoon en besteedt daarbij veel aandacht aan de context van personen en gebeurtenissen. Zijn boek is daarmee ook een prachtige kroniek van de Nederlandse kunst- en museumwereld van een groot deel van de twintigste eeuw.

In veel opzichten moet de contextuele benadering noodgedwongen zijn gekozen. Dirk Hannema komt naar voren als een bijzonder eigenzinnige man die zich zelden uitliet over persoonlijke emoties of anderszins het achterste van zijn tong liet zien. Tegelijkertijd leent Hannema’s leven zich er uitstekend voor. Zijn afkomst, zelfverzekerdheid, tomeloze energie en sociale handigheid stonden garant voor een wijdvertakt netwerk in binnen- en buitenland van familie en vrienden, kunstenaars en kunstkenners.

In 1895 in Batavia geboren in een welgestelde familie, groeide hij op in Den Haag. Als kunstgeleerde was Hannema hoofdzakelijk autodidact, al volgde hij ook colleges Kunstgeschiedenis bij de Utrechtse hoogleraar Willem Vogelsang en stak hij zijn licht op bij de beroemde docent H.P. Bremmer, en kunsthandelaars en verzamelaars zoals Abraham Bredius en Frederik Schmidt Degener.

Laatstgenoemde was directeur van Museum Boijmans en zou hem als assistent aannemen. Nadat Hannema hem had opgevolgd stuwde hij het museum op in de vaart der volkeren. Met hulp van gefortuneerde Rotterdamse ondernemers als D.G. van Beuningen en Willem van der Vorm werd de collectie aanzienlijk uitgebreid, waarbij de grens tussen Hannema’s privécollectie en die van het museum regelmatig vervaagde. In 1935 verhuisde het museum van het oude onderkomen in het Schielandshuis naar een nieuw gebouw met een revolutionair lichtsysteem naar ontwerp van architect Ad van der Steur. Een smet op de voortvarende activiteiten vormde de aankoop in 1937 van de Emmaüsgangers, een schilderij dat doorging voor een werk van de zeventiende-eeuwse meester Johannes Vermeer maar in 1945 werd ontmaskerd als een vervalsing door Han van Meegeren.

Ernstiger is zijn opstelling tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zoals Hannema’s bewondering voor rector ‘Bint’ een vooruitwijzing lijkt naar zijn belangstelling voor antidemocratische tendensen, zo lardeert Wessel Krul het levensverhaal met voorvallen en opinies waaruit duidelijk wordt hoe de ‘sfinx van Boijmans’ gestaag in die richting opschoof. Zo zijn er de contacten met querulant en beroepsdrinker Erich Wichman en schilder Pyke Koch, die flirtte met het Italiaanse fascisme. Ook Hannema’s kortstondige lidmaatschap van de NSB in 1933 is veelzeggend. Direct na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten zocht hij contact met de bezetter en in 1943 benoemde NSB-leider Anton Mussert hem in de functie van Gemachtigde voor het museumwezen.

Gestraft voor zijn collaboratie

Over het feit dat Hannema fout was in de oorlog laat deze biografie geen misverstand bestaan. Toch is het een verdienste van de auteur dat hij de rol van de museumdirecteur overtuigend weet te nuanceren. Al te streng is de omschrijving ‘collaborateur van de meest verregaande soort’ zoals die kort na de oorlog circuleerde onder museummensen die wilden verhinderen dat Hannema bij Boijmans zou terugkeren. Als Gemachtigde van Mussert was Hannema lid van een schaduwkabinet zonder bevoegdheden, dat pas in werking zou treden als de NSB feitelijk aan de macht zou komen. Hannema zelf was echter geen lid meer van die beweging en hield staande dat hij slechts handelde in het belang van het Nederlands kunstbezit. Belangrijker is dat Hannema zich in verschillende gevallen voor Joodse relaties en kunstenaars heeft ingezet. En abstracte en expressionistische kunst, door de nazi’s als entartet beschouwd, heeft hij nooit uit zijn museum gebannen.

Dat laatste illustreert ook treffend een opvatting die in dit boek steeds weer, in uiteenlopende bewoordingen, terugkeert: naar eigen zeggen ging het Hannema nooit om politiek, maar altijd om de kunst. De slotsom van Wessel Krul is dat zijn hoofdpersoon behept was met ‘goede bedoelingen, gebrekkig inzicht, in combinatie met geldingsdrang, angstvalligheid en opportunisme.’ Na acht maanden tewerkstelling in een deplorabel strafkamp in Hoek van Holland werd hij als collaborateur veroordeeld maar werd hem geen verdere straf opgelegd. Als museumdirecteur keerde hij niet meer terug. Dirk Hannema sleet zijn oude dag als kasteelheer in Overijssel die bezoekers van zijn kunstcollectie onthaalde op steeds fantastischer verhalen over zijn leven. Met zijn rotsvaste vertrouwen in de intuïtie van de echte kunstkenner heeft hij nooit toegegeven een vervalsing te hebben aangezien voor een echte Vermeer.