Recensie

Recensie Beeldende kunst

De natuur als een steeds veranderend feest door de ogen van David Hockney

David Hockney Op de eerste Nederlandse David Hockney-tentoonstelling sinds 1995 toont het Van Gogh Museum 119 van zijn werken. De bezoeker kan ze vergelijken met die van zijn grote held, Vincent van Gogh.

David Hockney: ‘Kilham op weg naar Langtoft II, 27 juli 2005’, olieverf op doek.
David Hockney: ‘Kilham op weg naar Langtoft II, 27 juli 2005’, olieverf op doek. Richard Schmidt

‘Als je Van Gogh een week had opgesloten in een saaie kamer”, zei de Engelse schilder David Hockney (1937) deze week tegen een interviewer van het tv-programma Nieuwsuur, „dan was hij er na die week uit gekomen met een paar schitterende schilderijen. Hij zou het hout in de hoek hebben geschilderd, of zo. Hij vond altijd iets geschikts om zich mee bezig te houden.”

Zelf is Hockney qua mentaliteit sterk aan Vincent van Gogh (1853-1890) verwant. Net als Van Gogh heeft hij aan de mensen, voorwerpen en plekken in zijn eigen intieme kring genoeg als aanleiding voor een schilderij of tekening. Van Gogh schilderde een stel oude werkschoenen, een paar vierkante meter grasveld, zijn eigen eenvoudige stoel bij dag en de leunstoel van zijn vriend Paul Gauguin bij avond. Hockney tekent en schildert familie en vrienden, planten op zijn veranda, een theedoek die droogt op de verwarming. En altijd zo dat je meteen ziet wat daar mooi aan is. Een iPhone aan de oplader, getekend op de iPad: ja natuurlijk is dat een opzienbarend stilleven!

Hockney is een uitgesproken bewonderaar van Van Gogh. In 1988 schilderde hij als hommage zelfs twee variaties op diens stoelschilderij van een eeuw eerder, waarbij hij het perspectief in stoelpoten en zitvlak als het ware binnenstebuiten keerde: het verdwijnpunt ligt niet aan de horizon, maar bij de kijker. Ook van Gauguins stoel maakte hij destijds een vrije kopie met omgedraaid perspectief.

Nadat een jong lid van Hockney’s mannenhuishouding in 2013 was overleden na een wilde nacht in hun huis in Bridlington (waar de schilder overigens zelf geen deel aan had), schilderde Hockney zijn assistent Jean-Pierre zittend op een stoel met de handen in het haar. Houding en compositie ontleende hij, behalve aan de tragische realiteit, ook aan Van Goghs schilderij van een treurende oude man op een stoel, in het Kröller-Müllermuseum.

Het sombere schilderij werd de opmaat tot een vrolijke reeks van 82 grote geschilderde portretten van vrienden en bekenden, steeds op dezelfde stoel tegen dezelfde achtergrond, die Hockney in 2016 tentoonstelde in de Royal Academy in Londen. Dat soort grootse projecten vat hij aan, zelfs op zijn eenentachtigste – want inmiddels is hij ruim twee keer zo oud als zijn Hollandse held ooit geworden is.

David Hockney: ‘Bloeiende meidoorns langs de Romeinse weg’, 2009, olieverf op 8 doeken. Richard Schmidt

De komst van de lente

Nu zijn tentoonstelling in het Van Gogh Museum is geopend, reist Hockney met zijn gevolg verder naar Normandië om daar ‘the arrival of spring’ vast te leggen, zoals hij tussen 2006 en 2013 het verstrijken van de seizoenen schilderde, tekende en filmde in Yorkshire, zijn geboortestreek.

Die Noord-Engelse landschappen staan nu in Amsterdam centraal. Stillevens en portretten zijn er – op één recent fotowerk na – niet te zien, terwijl het voor de hand had gelegen op een tentoonstelling over Vince and Dave (grapje van Hockney in de introductievideo) de stoelen en de treurende man van Hockney te combineren met de originelen van Van Gogh. Gauguins stoel is nota bene in het bezit van het Van Gogh Museum zelf. De samenstellers hebben er evenwel voor gekozen van beide schilders alleen landschappen te tonen, en dat pakt zo indrukwekkend uit dat je de andere genres niet mist.

Veruit de meeste Hockneys hingen ook al op zijn grote landschappententoonstelling in 2012 (Londen, Bilbao en Keulen) en zijn retrospectief in 2017 (Londen, Parijs en New York). Maar ze zijn nu toch maar mooi in Amsterdam te zien: 119 werken van de beroemdste levende schilder van deze tijd, op zijn eerste Nederlandse tentoonstelling sinds 1995. Van Gogh is met aanmerkelijk minder landschappen vertegenwoordigd, die meestal van een kleiner formaat zijn dan de Hockneys en ook minder brutaal van kleur. Hockney-Van Gogh is dus eigenlijk: heel veel Hockney met een beetje Van Gogh ertussendoor. Dat is geen bezwaar, want wie meer Van Goghs wil zien kan de trap op naar de vaste collectie, en de getoonde Hockneys maken stuk voor stuk waar wat de ondertitel ‘The Joy of Nature’ belooft.

Ze veroorzaken een aangenaam soort onrust. Je wilt binnen blijven om de landschappen nog langer te bekijken – en je wilt naar buiten om daar te zien wat Hockney ziet. De natuur als een steeds veranderend feest van licht, kleur en vorm. Een trip waar geen drugs voor nodig zijn. Met planten als ritssluitingen en bladeren als fietszadels. Met lange paarse schaduwen op een roze landweg en regendruppels in een spiegelende plas. Slecht weer bestaat niet. En overal is ruimte: op de vloer, in de bomen en struiken en in de gaten daartussen, die uitkijken op de verte.

Net als Van Gogh bedenkt Hockney telkens nieuwe oplossingen, nieuwe vertalingen voor wat het oog binnen krijgt. Stipjes en streepjes en andere vormpjes, steeds verschillend van dichtheid, richting en kleur maar altijd helder, open, leesbaar als de plantaardige bouwstenen van een ruimtelijke vorm. Er is geen struik waarin Hockney zich verveelt. Alles tintelt en vibreert, niets is saai. Weet je wat het is met David Hockney: als je die een week opsluit in een saaie kamer, komt hij daar uit met iets wat de kunst van Vincent van Gogh evenaart.