Sissi

schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deze week: ‘Je bent zelf depressief, oude knurft.’

‘Wat zie je er mooi uit vandaag!” Mevrouw K. werpt de verzorgster glunderend een compliment toe terwijl deze in een gebloemd jurkje de ruimte binnenstapt. Ze ziet er echt mooi uit vandaag. „Ja, wat zie je er mooi uit. Zo zomers.” „Heerlijk fleurig!”, ondersteunt mevrouw Kuipers mij op haar beurt. „We moeten er wat van maken hé!” We moeten helemaal niets, denk ik.

In de hoek van de salon speelt Sissi op een kleine tv waarover een perzikkleurig gehaakt kleedje gedrapeerd is. Meneer H. heeft sinds ik binnenkwam, een half uur geleden, niet opgekeken van het Oostenrijkse schouwspel. Ik vraag me af of zijn moeilijke blik de tragiek van het verhaal weerspiegelt of dat hij ons getetter storend vindt.

Mevrouw K. haalt haar kwast met de rode verf nog een keer over haar abstracte schilderij en kijkt de film met een half oog mee. „Wat een leven had die vrouw, hè? Zoveel drama”, merk ik op. Ik realiseer me dat de korte nacht die ik heb gehad ten koste is gegaan van mijn dagelijkse dosis optimisme. „Drama?” Mevrouw K. is niet overtuigd. „Ze was een keizerin! En ze droeg de prachtigste jurken waarmee ze door haar paleizen flaneerde.”

Meneer H. vindt ons blijkbaar toch storend want hij mengt zich met een geërgerde blik in het gesprek. „Het kind heeft gelijk. Wat heb je aan jurken als al die ellende je overkomt?”

„En wie heeft jou wat gevraagd?”, sist mevrouw K. meneer H. toe.

„Het is toch zo? Ze was depressief, verloor een tweejarige dochter en leed aan allerlei ziektes. ”

„Je bent zelf depressief, ouwe knurft. Zo goed als dood. Die vrouw heeft als een godin geleefd en jij zit de hele godganse dag voor die akelige kijkdoos. Waarom schilder je niet een keer met ons mee? Hier, neem een kwast.”

Ik betrap mezelf erop de discussie vermakelijk te vinden en grijp in. „Meneer H. is niet dood. Wij allemaal niet, nog lang niet. En als iedereen doet waar hij van geniet, duurt het alleen maar langer!”

De verzorgster in gebloemde jurk heeft het hele spektakel gevolgd en houdt haar lach met moeite in. „Ik ga niet dood hoor, dit fossiele lijf mag het dan wel op een dag begeven, maar mijn geest blijft springlevend. Doodgaan is maar zonde!” Mevrouw K. tovert suggestief met haar kwast een felgroene streep dwars door haar schilderij. De verzorgster schiet in de lach en ik huil net niet.

Om de privacy van betrokken ouderen te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.