Productie duurzame elektriciteit door windmolens stagneerde vorig jaar

De totale productie van elektriciteit uit duurzame bronnen bleef wel stijgen, aldus het CBS.

Foto Patrick Pleul/AFP

De productie van duurzame elektriciteit door windmolens in Nederland is in 2018 voor het eerst sinds jaren vrijwel gestagneerd. De hoeveelheid opgewekte stroom nam met 3 procent toe ten opzichte van een jaar eerder, terwijl die stijging in de jaren ervoor tot wel 20 procent bedroeg. Dat blijkt vrijdag uit voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Oorzaak van de stagnatie is volgens het CBS dat er de voorbije twee jaar amper windmolens zijn bijgebouwd. Het aantal turbines schommelde in 2017 en 2018 tussen de 2250 en de 2300, licht CBS-onderzoeker Cor Pierik toe. Per stuk steeg de energieopbrengst van de molens wel een beetje. Dat komt volgens Pierik doordat steeds meer kleine windmolens worden afgebroken en vervangen door grotere exemplaren, die meer energie kunnen opwekken.

De totale hoeveelheid duurzame elektriciteit die werd opgewekt, bleef vorig jaar wel stijgen. Bij elkaar opgeteld produceerden windmolens, zonnepanelen, biomassa en waterkracht in Nederland 18 miljard kilowattuur (kWh) aan elektriciteit. Dat was 1,3 miljard kWh meer dan in 2017. Windmolens waren met 9,9 miljard kWh verantwoordelijk voor ruim de helft van de duurzame elektriciteitsproductie.

Klimaatdoelen

Opvallend was ook dat de stroomopbrengst uit zonnepanelen met ruim 40 procent toenam. In 2017 wekten de panelen 2,2 miljard kWh op, een jaar later was dat 3,2 miljard kWh. Volgens het CBS komt dat doordat er in Nederland “fors” meer zonnepanelen werden geplaatst.

Nederland ligt van alle Europese landen het verst achter op schema bij het behalen van de klimaatdoelstellingen van 2020. 6,6 procent van de opgewekte energie kwam in 2017 uit duurzame bronnen, liet EU-statistiekbureau Eurostat eerder deze maand weten. Volgend jaar moet dat 14 procent zijn. Nederland is dus nog niet op de helft. Ter vergelijking: landen als Kroatië, Montenegro en Denemarken zitten al ruim 20 procent over hun doelen heen, die overigens wel voor elk Europees land verschillend zijn.