Recensie

Recensie Theater

Nazi’s en Bijlmer: ook in ‘Speer’ mixt Tarenskeen historie met filosofie

Theaterrecensie Bo Tarenskeen confronteert nazi-architect Albert Speer met een bewonderaar van de Bijlmerflats. In Speer wordt dat een atypisch gesprek over architectuur en uitgummen wat je niet bevalt.

Architectuurcritica (Laura Mentink) en architect Albert Speer (Bo Tarenskeen) in ‘Speer’.
Architectuurcritica (Laura Mentink) en architect Albert Speer (Bo Tarenskeen) in ‘Speer’. Foto Jaïr Stranders

Hitlers rijksarchitect, Albert Speer, vond de Bijlmerflats maar niets, zo verklaart hij in Speer . De flats waren gebouwd in lijn met de filosofie van kunst- en ontwerpschool Bauhaus : een groene omgeving en veel oog voor de bewoners. Bijlmer-architect Siegfried Nassuth droomde van een mooiere wereld. Bewoners zouden elkaar op grasvelden tegenkomen en autowegen werden opgetild, zodat voetgangers elkaar ongestoord konden ontmoeten. Nassuth verwachtte dat mensen dichter bij elkaar zouden komen, als ze elkaar spraken. Speer ontwierp juist megalomane gebouwen, bedoeld om te imponeren, de menselijke maat uit het oog verloren.

Lees Bernard Hulsman over Vijftig jaar Bijlmer: in idealen kun je niet wonen

In de theatervoorstelling Speer interviewt een architectuurcritica (Laura Mentink) Albert Speer (Bo Tarenskeen). Zij koestert warme herinneringen aan de Bijlmerflats, waar ze opgroeide. In de tekst en regie van Tarenskeen is de Duitse architect een uiterst beheerste intellectueel en kunstenaar. Hij beweert overal per ongeluk in terecht te zijn gekomen. Wat hij ontwierp, paste toevallig goed bij wat de Führer mooi vond. Ongewild groeide hij uit tot minister van Bewapening; antisemitisme had daar niets mee te maken.

Speer past, met voorlopers als Kissinger (2017) en Heidegger (2018), in de voorstellingenreeks van Tarenskeen over ‘het kwade denken’. Hij mengt historie met filosofie. Speer praat zijn keuzes goed door zichzelf af te schilderen als speelbal van het lot. Ondertussen blijft de architectuurcritica vol overgave de zonnige kant van de Bijlmer verdedigen. In die zin gaat Speer over uitgummen wat je niet bevalt en doelbewust je perspectief kiezen.

Alles draait om de tekst, maar de voorstelling is verrassend toegankelijk, doordat beide acteurs de gedachtegangen kraakhelder verwoorden. Het is geen visueel spektakel en retorisch wordt niemand het vuur aan de schenen gelegd, maar de dialogen roepen boeiende vragen op. Kun je gebouwen los zien van de mensen, die er gebruik van maken? En is architectuur puur esthetisch te bewonderen, als je de (pijnlijke) geschiedenis kent?