Marga Minco in 2004.

Foto Vincent Mentzel

Marga Minco: ‘Ik heb ze een spiegel voorgehouden’

Interview De schrijfster kreeg de P. C. Hooftprijs 2019 voor haar oeuvre, dat stoelt op haar oorlogservaringen. ‘Ik was kwaad, iedereen wilde vergeten.’

Op 18 januari kreeg Marga Minco (pseudoniem van Sara Menco, Ginneken, 1920) de P.C. Hooftprijs uitgereikt voor haar verhalend proza. Gezien haar hoge leeftijd vond de plechtigheid plaats bij haar thuis, in Amsterdam.

Haar oeuvre is even uniek als bescheiden. Angst, schuldgevoel en eenzaamheid spelen er een grote rol. Die existentiële gevoelens zijn te herleiden tot haar ervaringen als vervolgde Joodse vrouw in de oorlog, wier ouders, broer en zuster door de nazi’s zijn vermoord.

Interviewers ontvangt ze niet meer, al gunde ze NRC een schriftelijk vraaggesprek, dat tot stand kwam met medewerking van haar dochter Jessica Voeten.

Uw taal is altijd helder, zuiver en onopgesmukt. Uw boeken lijken gisteren geschreven. Hoe kan dat toch?

„Daar kan ik niets aan doen…‘ De opvoeding, monsieur’, zei mijn vader altijd.”

Humor is u ook niet vreemd, zo blijkt uit uw vroegste verhalen. Gaf die humor u na de oorlog de kracht om over uw verdriet te schrijven?

„Het was een uitvlucht. Een manier om een vlucht te nemen uit de werkelijkheid. Niet voor niets heb ik mijn eerste verhalen gepubliceerd in de Mandril.” (Mandril, maandblad voor mensen was een humoristisch tijdschrift, dat verscheen tussen 1949-1953, red.)

Wilde u het tragische op die luchtige wijze ook voor anderen draaglijk maken?

„Nee, het is een bepaalde aanleg.”

Het benepen Nederland van de jaren vijftig krijgt er in uw verhalen van langs. Had dat iets te maken met het zwijgen over de Jodenvervolging? Alsof iedereen net deed of er niets gebeurd was?

„‘Van langs’…? Ik was kwaad. Iedereen wilde vergeten… Dat was wel iets, die jaren ’50, we waren blij dat het langzaam 1960 werd. Het was een ellendige tijd, ik heb die periode verdrongen, maar het komt af en toe boven, zoals nu, als ernaar gevraagd wordt. Het was voor veel Nederlanders een ongemakkelijke tijd, ze waren bevrijd en zeiden: laten we gewoon doen. Wat moesten ze aan met de Joden die terugkwamen uit hun schuilplaatsen en van over de grens? Ze voelden zich misschien beschaamd: wij hebben geen last gehad, maar zij wel. De Joden werden lastig gevonden, waarschijnlijk uit schuldgevoel: ze wilden terug in hun huizen waar anderen in zaten, en ze wilden de spullen terug waar ze in het normale leven gehecht aan waren geweest.

„Ik voelde me in een hoek gedrukt. Toen HBK (Het bittere kruid, red.) verscheen, leek het of er iets openbrak – dat wil zeggen in míjn kring, hoe het daarbuiten was, weet ik niet, maar de recensies uit die tijd zijn duidelijk: ik had iets losgemaakt, ze een spiegel voorgehouden.

„Ik herinner me een première in de Stadsschouwburg, net nadat HBK was verschenen en was opgemerkt in de kranten. Bert (haar in 1992 overleden man Bert Voeten, red.) en ik gingen vaak naar de schouwburg. Deze keer waren er mensen die de behoefte voelden mijn hand vast te pakken en iets vriendelijks te zeggen. Ik was niet langer het zielige vrouwtje van de bekende dichter. Dat gaf een zekere voldoening.”

In het verhaal ‘Het adres’ (1957) heeft u het over de naoorlogse onverschilligheid van veel Nederlanders over het lot van hun Joodse landgenoten. Denkt u er nog zo over? Neemt u hen die apathie kwalijk?

„Ik kan het ze moeilijk nu nog kwalijk nemen. Ik vond dat ik er niet op moest blijven hangen. En er is nadien zo veel gebeurd. Het leven gaat door.”

Hoe ontstond dat verhaal?

„Het was in de periode vlak na de bevrijding, toen je hoopte dat je ouders en de anderen terug zouden komen. Maar dat was een ijdele hoop. De berichten, de echte berichten, waren er nog niet – ik ging elke week naar de Herengracht waar de lijsten hingen met de namen. In die periode wilde ik de spullen terugzien die mijn moeder aan mevrouw D. in bewaring had gegeven. Ze aanraken. Ze waren zo verbonden met de familieleden die er niet meer waren. Daarom ben ik naar dat adres gegaan. Het stak me enorm dat de dingen die ik gewend was in de huiskamer te zien, en die door mijn moeder gekoesterd werden, dat die daar stonden in een omgeving die mij totaal vreemd was, en daardoor vijandig.

„De houding van mevrouw D. is exemplarisch voor die jaren. Alsof het gewoon was dat ze de spullen van mijn moeder had gekregen om ze te houden.”

Bestaat die onverschillige houding nog?

„Ja, die is er nog altijd, maar niet bij iedereen. En ook toen waren er uitzonderingen. Een buurvrouw van mijn oom Maurits en tante Hilda uit Delft had al het mooie linnengoed in een hutkoffer bewaard. Ze had honger geleden, en het toch niet verkocht voor eten.”

Tegen het einde van uw verhaal ‘Terugkeer’ (1965) komt een overlevende Joodse man op straat zijn vrouw tegen, die de oorlog ook heeft overleefd. Ze kunnen amper met elkaar praten, zo groot is hun verdriet over hun omgekomen kinderen en familieleden. Geldt zoiets nog steeds voor u?

„Ik heb door erover te schrijven getracht er een vorm aan te geven. En misschien is het wel zo – ik ben nu bijna 99 – dat de vorm waarin ik het gegoten heb, de herinnering enigszins heeft vervormd.”

Uit onderzoek blijkt dat er steeds meer antisemitisme is. Wat vindt u daarvan?

„Tja, de Joden zullen altijd het mikpunt blijven. Elke samenleving heeft een mikpunt nodig…, maar mijn boeken zijn nog altijd in druk.”

Wie zijn uw grote voorbeelden?

„Tsjechov, Mansfield, Kafka, Nabokov, Elsschot. In willekeurige volgorde.”

Voor zover ik me herinner schreef u dagboeken. Komen die ooit uit?

„Nee, ik heb geen dagboeken bijgehouden; ik maakte wel veel aantekeningen.

Thuis in Breda heb ik me altijd teruggetrokken om aantekeningen te maken. Ik wilde mijn gedachten noteren. Heb me niet afgevraagd waarom. Het was niet zozeer goed, het was zinnig. Het komt, denk ik wel eens, door het gezin waar ik uit kom. Mijn zusje blonk in alles uit, ze was goed in tekenen. Mijn broer was heel clever, en muzikaal. Ik wilde noteren.”

Nog steeds?

„Zelden. Alleen voor de uitreiking van de P.C. Hooftprijs moest ik wel wat noteren, voor als de toespraken waren geweest.

Wat vindt u ervan dat u de P.C. Hooftprijs hebt gekregen?

„Heel vanzelfsprekend. Ik zit zo lang in het vak, dan mag ik wel eens geprezen worden. Afkeuren mag ook, maar liever niet. Je wordt altijd beoordeeld. Zodra je gaat publiceren word je drastisch bekeken.”

Komt de prijs niet wat laat?

„Zeker. Maar het gaat niet zozeer om het genieten ervan; het is meer een kwestie van: to have or have not.”

Lees ook: Marga Minco’s ‘tuinpoortje’