Recensie

Recensie Boeken

Hoe de liefde goden en stervelingen verandert

Kinderboek Sylvia Weve is zo’n beetje de beste illustrator die je kunt wensen voor een bewerking voor kinderen van Ovidius’ Metamorphosen . En in Maria van Donkelaars spitsvondige woorden is Orpheus ‘een beetje dom’. Gedurfd en schalks.

Lichtzinnigheid, een speelse toon, humor en vernieuwingsdrang: dat is kort gezegd waaraan de Romeinse dichter Ovidius zijn faam dankt. Bekend werd hij vooral door zijn Metamorphosen: nooit eerder verweefde iemand al die losse vertellingen over wat de liefde aanricht en hoe die goden en stervelingen (letterlijk) metamorfoseert, tot zo’n veelomvattend geheel. Om die scherpzinnige verzen naar onze eigen tijd voor kinderen te vertalen, zonder afbreuk te doen aan het oorspronkelijke karakter van het klassieke epische dichtwerk, is geen sinecure. Dat Maria van Donkelaar en Sylvia Weve in Zo kreeg Midas ezelsoren hierin knap zijn geslaagd, komt door de eigenzinnige manier waarop zij de drieëntwintig mythen die zij uit de Metamorphosen selecteerden, hebben benaderd.

Want eigenzinnig is het, als je Ovidius’ traditionele dactylische hexameters omzet in spitsvondige, eigentijdse verzen van acht regels waarvan de vierde en achtste rijmen, zoals Van Donkelaar deed. En niet minder eigenzinnig is het om zo’n driekwart van de pagina’s van dit fraaie boek op groot formaat te reserveren voor de illustratiekunst van Weve, zodat je eerst het beeld en dan pas de tekst bekijkt.

Hitsige avances

Die volgorde pakt goed uit. Zo springt in het verhaal over Syrinx de wellustige blik van de oude bok die onder de rokken van de hoogst verschrikte nimf kijkt, direct in het oog. Als we vervolgens lezen dat de bok - niemand minder dan de bosgod Pan – verliefd is op Syrinx en haar toeroept, ‘Hé schat!/ Kom in mijn armen,/ alsjeblieft!’, begrijp je maar al te goed waarom ze geenszins van plan is op zijn hitsige avances in te gaan en vlucht. Ook het met rode zoenafdrukken bedekte gezicht van Narcissus voor wie iedereen in katzwijm valt, spreekt boekdelen. De ijdelheid en onnozelheid druipen ervan af. Ze maken Van Donkelaars rijm over de mooie jongen die op zijn spiegelbeeld verliefd wordt en in de gelijknamige bloembol verandert, volstrekt geloofwaardig.

Een betere illustrator dan Weve voor Ovidius’ Metamorphosen had je ook niet kunnen verzinnen. Haar voorliefde voor overdrijving en haar rake, zwierige lijnvoering passen de excentrieke gebeurtenissen perfect, die uiteindelijk allemaal in gang worden gezet door emoties als affectie, begeerte, passie, jaloezie, haat en wraak. Weves onstuimige actiescènes en expressieve koppen van machtsbeluste goden, uitdagende nimfen en hunkerende kerels vullen Van Donkelaars summiere teksten treffend aan. Van zichzelf benadrukken die door hun strakke versvorm onvermijdelijk vooral de intriges. Mooi is bijvoorbeeld de kus vol verlangen waarmee de beeldhouwer Pygmalion zijn eigen ivoren creatie zichtbaar tot leven wekt, waarna ze in een bevallige dame transformeert en Donkelaar schrijft: ‘En Pygmalion,/ in tranen, zei: ‘Mijn lief,/ ik vraag één gunst./ Trouw met mij.’/ ‘Ja’, zei het meisje. ‘Want ik vind je/ uit de kunst!’

Orpheus is een beetje dom

Van dit soort subtiele taalgrapjes wemelt het in Van Donkelaars lichtvoetige teksten die meestal soepel lopen maar daardoor wel nauwkeurige (voor)leeskunst vragen. Jupiter komt bijvoorbeeld ‘al polderend […] tot een compromis’. En Máxima’s befaamde ‘beetje dom’ geldt hier voor Orpheus die zich in het dodenrijk tegen beter weten in toch omdraait om te zien of Eurydice wel volgt. Dat gevoel voor (zwarte) humor, maar ook de wijze waarop Van Donkelaar eigentijdse taal en beelden combineert met die uit de oudheid, deelt ze met Weve. Zo tekende de illustrator in het voorwoord een schuchtere Romeinse soldaat naast een pinnige langbenige tante met een Chaneltas. En liet ze twee bodyguards met zwarte zonnebril en oortje, maar in hun hand een Romeinse speer, Koning Agenors dochter Europa bewaken.

Bij deze gedurfde, schalkse aanpak van de Metamorphosen zullen sommige classici ongetwijfeld hun vraagtekens zetten. Toch was het juist Ovidius die graag speelde met traditionele verhalen, vanuit het motto dat ‘niets zijn eigen aanschijn houdt’. Van Donkelaar en Weve bewijzen nog maar eens dat een goed voorbeeld goed doet volgen.