Opinie

    • Carolina Trujillo

Haagsûh neusûh

Zondag ging ik met de Haagsûh neusûh naar ADO-Ajax. Haagsûh neusûh is een kleine groep vrienden in een whatsapphonk waar het alleen over ADO mag gaan. (Dat ik vrienden zeg komt door het dwingende seksisme van meervoudsvormen: eigenlijk zijn het vriendinnen want er zit maar één man bij en die is zo empathisch en hyperintelligent dat hij makkelijk voor vrouw door kan gaan, toch moet ik door zijn chromosoompje ‘vrienden’ zeggen en enorm afdwalen ook.)

We verzamelden bij het supportershome voor support want het gaat op het moment slecht met de Haagse neuzen. De een is depressief, de ander opgebrand, een dochter is opgenomen en bij een lieve vader zijn kwade cellen gevonden. Het is alsof elk een zak stenen meezeult. Ik draag de lichtste last, wat voor een groot klager als ik een onwennige positie is. In mijn tas zit wat tot poeder vergaan mergel, een notitieblok, een pen en een brok dieptegesteente dat er wel altijd zal blijven. De anderen sjouwen met platen graniet in hun uitscheurende rugzakken. De meeste neuzen hebben een verleden met harddrugs, een enkeling ook een heden en allemaal een toekomst, want we hopen op een oude dag waarin we trippend op een bankje in de zon de dealers mogen voeren.

Als we het stadion ingaan worden we gefouilleerd door personeel dat niet in de stenen geïnteresseerd lijkt. Alleen mijn stroopwafel moet weg. De tribunes zijn afgeladen op het bezoekersvak na. Ajax-supporters mogen het stadion niet in omdat dertien jaar geleden een groep losgeslagen malloten (deze keer wel merendeel mannelijk) met messen, priemen en een rookbom van het ADO-supportershome een hel maakten. Nu mag geen Ajacied komen kijken en dat is wel jammer.

Ik zoek langs de tribunes naar een oude vriend. Hij draagt een menhir op zijn rug, waardoor ik hem altijd meteen zie, maar niet deze keer en dan wordt er afgetrapt.

Voetbalkijken is goed vluchten van de werkelijkheid. Zolang je de ogen op de bal hebt, voel je de stenen niet. Alleen de bal, de spelers en de regels tellen. Met balspelen ontvluchtte zelfs de prehistorische mens zijn werkelijkheid.

Als het spel stil ligt, vraag ik me af hoeveel mensen in dit stadion in de schuldsanering zitten, hoeveel er een diagnose hebben gekregen die een vonnis insluit, hoeveel hun beste vriend verloren, mens of dier, hoeveel er vechten voor een kans die ze niet krijgen. Met z’n vijftienduizend ontvluchten we vijftienduizend werkelijkheden door naar tweeëntwintig spelers te kijken die de bal wel raken, die wel fit zijn, die tenminste in de buurt van kansen komen en het veld kunnen overzien. In ieder geval tot het fluitsignaal, want dan is de realiteit zo dat ook spelers zieke moeders hebben of broers die veel te jong zijn overleden. Die sporttassen zijn niet voor niets zo goed gestikt.

Buiten het stadion zie ik de oude vriend in de zon staan. Hij leunt tegen zijn menhir en gooit een kruimel in het gras. Ik vraag hoe het gaat. Met die verse 5-1 nederlaag in de tas zegt hij: Lekkâh.

Carolina Trujillo is schrijfster.