Al die kleurige bloemen zijn helemaal niet ‘typisch Nederlands’

Stinsen Elk jaar knallen de kleuren in het gras. Typisch Nederlands? Niet echt: de bloemen zijn ooit als siergewas hierheen gehaald door adel en aristocratie.

Stinsenfloratuin bij de voormalige dokterswoning in het Friese Stiens
Stinsenfloratuin bij de voormalige dokterswoning in het Friese Stiens Foto's Trudy van Riemsdijk-Zandee, Wim Hoogendam

Teer en felgekleurd zijn ze, paars, wit, geel, lila. Nauwelijks is de sneeuw gesmolten of de winterkou geweken en de vroegste voorjaarsbloemen bloeien op: winter akoniet, sneeuwklokje, bostulp, bonte en boerenkrokus, lenteklokje, wilde narcis. Ze vormen onafzienbare velden van tienduizenden bloemen, als tapijten vol belofte aan een nieuwe lente.

Door hun overdaad lijken ze op het eerste gezicht in het wild te ontluiken, maar dat is schijn. Het zijn van oorsprong uitheemse bloemen die voorkomen in de tuinen van historische buitenplaatsen, herenboerderijen, landgoederen, kloosters, kastelen en pastorieën. Oftewel: bij buitens die van oudsher uit steen werden opgetrokken, ‘steenhuizen’.

Het Friese woord daarvoor is ‘stins’ – en hiermee zijn we meteen bij de verzamelnaam voor deze bijzondere groep planten: ze heten stinsenplanten of stinzenplanten. Ze komen uit de Alpen en bergflanken v an Zuid-en Midden-Europa en zijn, vanaf de zestiende eeuw, als siergewas naar het noorden gebracht om de tuinen van adel en aristocratie op te fleuren.

Tot de groep behoren zo’n twintig soorten, variërend van een eerste bloeier als winterakoniet tot Haarlems klokkenspel, in juni één van de laatsten. De tuinen, of dat nu baroktuinen waren met rechte lanen en een strenge, symmetrische vormgeving, of meer romantische landschapstuinen, veranderden door deze flora in ware lusthoven. De tuinlieden van destijds bedachten hier zelfs een woord voor: een tuintheater.

Bloeiend cultureel erfgoed

Uitheemse, exotische bloemenpracht dus, op tal van plekken in ons land een vertrouwde verschijning, al zijn ze vaak tijden terug aangeplant in door mensenhand gemaakt milieu. Ze bloeien bij de Dekema State in Jelsum en de Martenastate in Cornjum, Friesland. Of bij de Menkemaborg in Uithuizen in Groningen en op het Martinikerkhof in de stad zelf. Park Sonsbeek in Arnhem en het Vondelpark in Amsterdam . De begraafplaats rond de kerk van Stiens, en de tuin van het ertegenover gelegen Doktershûs, tonen een keur aan stinsenflora. Tuinen als deze zijn particulier, maar in het voorjaar worden ze vaak opengesteld. Ook bij de buitens langs de Utrechtse Vecht komen stinsenplanten voor, bij Kasteel Hackfort in het Gelderse Vorden, in de heuvels van Zuid-Limburg of langs duinranden in Noord- en Zuid-Holland. Het is bloeiend cultureel erfgoed .

Foto Sjoerd Hogerhuis

Al kent de soort een lange voorgeschiedenis in Nederland, pas in 1932 werd de naam stinsenplant gemunt door de Friese heemkundige en bioloog Jacob Botke. Hij beschrijft in zijn studie De Grietenij Dantumadiel het opmerkelijke verschijnsel „dat overal waar stinzen staan of gestaan hebben, men op de singels of andere overhoekjes, van die aardige plantjes vindt, die men op andere plekken niet meer ziet”. En in een volgende regel vindt hij het woord uit: „Bij de Schierstins komen dergelijke stinsplanten voor”. De jeugd van Veenwouden noemde de witte bloemetjes ‘stinsenblomkes’, zo wil de overlevering. H iermee werd het Nederlands een woord rijker.

De vroeg-middeleeuwse Schierstins in Veenwouden is als enige van de vijfhonderd stinsen die Friesland telde, bewaard gebleven. „Stinsenflora heeft als belangrijkste kenmerk dat het in ons land niet oorspronkelijk in het wild voorkomt”, zegt Gineke Brand, die de tuin met enkele anderen onderhoudt en rondleidingen geeft. „De adel en halfadel lieten de bollen uit het verre zuiden, zelfs vanuit Turkije, overkomen . Ook reizigers namen ze mee. De kostbare bolletjes vormden ook geschenken tussen adel onderling. Stinsenplantjes kunnen verwilderen, maar het is in principe altijd cultuurgebonden flora.”

Ze wijst op het samenspel tussen bomen rond de Schierstins en de flora zelf: „In het voorjaar, als er nog geen bladeren aan de bomen zitten, krijgen de stinsenplantjes volop licht. Zijn ze eenmaal uitgebloeid dan overzomert het bolletje onder de grond en wacht het op het voorjaar. Vooral de vroege bloei en de intense kleuren maakt deze flora zo aantrekkelijk.”

In 1915 schreef Jac. P. Thijsse in zijn boek De Vecht over wilde plantensoorten die bloeien bij „kastelen en oude buitens”; ze zijn zo talrijk „dat ze als fijne rooskleurige wolkjes boven de grond lijken te zweven”. Daarmee raakte de natuurschrijver de kern. Dat ze bloeien bij adellijke buitens verhoogt hun bijzonderheid: niets is mooier dan een buitenhof met een rijkdom van witte, gele en paarse bloemen eromheen.

Tuin vol met voorjaarsbloeiers

Terug naar Friesland, naar de oorsprong van het begrip stinsenplant. In Stiens ligt tegenover de hervormde kerk de voormalige dokterswoning, het Doktershûs uit 1838. In de uitgestrekte, L-vormige achtertuin bloeit een overdaad aan stinsenplanten. Sinds het echtpaar Willem en Trudy van Riemsdijk het huis bewoont, hebben ze de voorjaarsbloeiers alle kans gegeven om zo goed als de gehele tuin te bedekken. Onder de naam Stinze Stiens stellen ze hun tuin open en geven ze lezingen en rondleidingen.

Stinsenfloratuin bij de voormalige dokterswoning in het Friese Stiens (links). En stinsenplanten bij museum Dekema State in het Friese Jelsum.
Foto’s Trudy van Riemsdijk-Zandee, Wim Hoogendam
Foto’s Trudy van Riemsdijk-Zandee, Wim Hoogendam

Dit jaar is het thema OndersteBoven van Stinzenplanten en gaat het vooral over de bodem, waarop stinsenflora groeit. Die moet kalkrijk zijn, los en open van structuur. Afgevallen herfstbladeren vormen een welkome humuslaag. Van Riemsdijk is bodemkundige. Vijf jaar geleden begon het echtpaar de Stinzenflora-monitor, een onlinekalender die dankzij een netwerk van correspondenten aangeeft waar en wanneer welke stinsenbloemen bloeien en welke tuinen en landschapsparken geopend zijn. Deze monitor is de belangrijkste bron voor stinsenflora en de geschiedenis ervan in ons land.

Lees ook: Zo lok je de vlinders en insecten je tuin in

„Het geheim van stinsenplanten is dat ze eeuwigdurende lentebloei suggereren, want de ene soort volgt de andere op, vanaf januari tot ver in mei”, zegt Van Riemsdijk.

Hun eigen tuin kenmerkt zich door reliëf in de bodem en slingerende zandpaden. Het echtpaar wijst op de vele duizenden sneeuwklokjes en winterakonieten die door de tuin stromen als een meanderende rivier. „Dat is de bedoeling van stinsenplanten”, zegt Trudy van Riemsdijk-Zandee, „dat al die kleine bloemen in wit, geel of paars zich eindeloos uitbreiden”.