Opinie

    • Esther Voet
    • Bart Schut

Achter deze definitie kan antisemiet zich niet verschuilen

Een door de PvdA omarmde definitie van antisemitisme snoert critici van Israël de mond niet, schrijven en Hij helpt wel bij ontmaskering van antisemieten.

Antisemitische grafitty op begraafplaats in Frankrijk.
Antisemitische grafitty op begraafplaats in Frankrijk. Foto JEFF PACHOUD/AFP

‘Stel kritiek op Israël niet gelijk aan antisemitisme’, schrijft Jaap Hamburger op 22 februari naar aanleiding van het omarmen van de IHRA-antisemitismedefinitie door de PvdA. Een repliek op dit stuk van de voorzitter van Een Ander Joods Geluid zou het kortste opinieartikel ooit kunnen opleveren, iets in de trant van: ‘Nee Jaap, dat doet niemand.’ Zeker de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) zelf niet, die kritiek op Israëlisch regeringsbeleid nadrukkelijk uitsluit. Toch blijft vanuit anti-Israëlische kringen het schijnargument klinken dat deze definitie van antisemitisme kritiek op de Joodse staat onmogelijk maakt – en sterker nog, dat dit zelfs de bedoeling erachter zou zijn.

De tekst van de IHRA-definitie zelf is vrijwel onomstreden, het gaat tegenstanders om de voorbeelden die de organisatie bijgevoegd heeft. En dan vooral voor zover die betrekking hebben op de staat Israël. Kort gezegd komen deze neer op: 1) Het ontkennen van het recht van het Joodse volk op zelfbeschikking, bijvoorbeeld door het bestaan van Israël te ontkennen en als een racistische onderneming te betitelen. 2) Van Israël gedrag verwachten dat van geen andere democratische staat wordt verlangd. 3) Israëlisch beleid vergelijken met dat van de nazi’s. 4) Klassiek antisemitische symbolen (bijv. moderne varianten van het bloedsprookje, waarin Joden ervan worden beschuldig mensen te vermoorden) gebruiken om Israël of Israëli’s te karakteriseren.

Juridische consequenties zijn er niet

Deze vier voorbeelden drijven zelfverklaarde antizionisten tot razernij, waarbij moet worden aangemerkt dat de IHRA-definitie geen enkele juridische consequentie met zich meebrengt. Het is niet meer dan een richtlijn voor de beoordeling van de vraag of iets onder Jodenhaat valt of niet. Internationaal wordt de definitie steeds meer omarmd. Wij noemen Duitsland, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk (ja, zelfs na veel tegensputteren door Jeremy Corbyns Labourpartij) en na een serie recente antisemitische incidenten ook Frankrijk, zoals president Emmanuel Macron vorige week aankondigde. Hij stelde antizionisme daarbij zelfs gelijk aan antisemitisme. In november nam de Tweede Kamer een motie aan van Kees van der Staaij (SGP) waarin de regering wordt opgeroepen de IHRA-definitie te steunen. De PvdA stemde toen nog tegen, maar heeft laten weten dat nu niet meer te doen. De partij heeft de definitie inmiddels ook in haar geheel aangenomen.

In een Europa waar antisemitisme een explosieve groei vertoont, is het aanvaarden van de definitie een belangrijke stap. Steeds vaker wordt klassieke Jodenhaat verstopt achter een masker van antizionisme ( Macrons woorden), maar wordt hier niet tegen opgetreden omdat een beroep wordt gedaan op het recht de staat Israël te bekritiseren. Dat recht bestaat en blijft ook bestaan, maar wat de IHRA doet is het antisemitische kaf van het legitiem kritische koren scheiden.

Als oud-PVV’er, tegenwoordig islamist Arnoud van Doorn zich hardop afvraagt of de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog niet eigenlijk aan de goede zijde vochten vanwege hun strijd tegen communisme en zionisme, zou dit niet antisemitisch zijn omdat hij het woord ‘Joden’ niet in de mond neemt. Gezond verstand zegt ons dat Van Doorn een antisemiet is, en de IHRA-definitie helpt zijn antizionistische vermomming te doorzien. Wanneer rapper Rachid ‘Appa’ El Ghazaoui klaagt over ‘zionisten, die als hebberige hyena’s uit zijn op ons geld en bloed’ is het duidelijk dat hij refereert aan de Middeleeuwse antisemitische mythe van het bloedsprookje. Dankzij de IHRA kan ook hij zich niet langer verschuilen achter het argument dat hij het woord ‘Joden’ niet gebruikt.

Opmerkingen waarin iedereen de Jodenhaat voelt

Hetzelfde geldt voor Bezige Bij-auteur Dyab Abou Jahjah wanneer hij de Frans-Joodse filosoof Alain Finkielkraut uitscheldt voor ‘strontzionist’ nadat deze op straat in Parijs door gele hesjes verbaal is aangevallen. Of voor Denk-voorman Tunahan Kuzu wanneer hij Israël ervan beschuldigt ‘Lebensraum’ te creëren via een ‘Heim ins Reich’-politiek. Eenieder voelt de Jodenhaat in die opmerkingen, maar omdat deze verpakt wordt als ‘Israëlkritiek’ staan we erbij en kijken we ernaar. De binnen de Joodse gemeenschap vrijwel unaniem gesteunde IHRA-definitie brengt licht in deze antizionistische duisternis. Nogmaals, zonder juridische consequenties. Wanneer nationale overheden besluiten die er wel aan te verbinden, is dat hun beslissing.

Waar wij ‘vrijwel unaniem’ schrijven, moeten we een uitzondering maken voor de auteur op wiens artikel wij reageren: Jaap Hamburger, voorzitter van de binnen de Joodse gemeenschap marginale organisatie Een Ander Joods Geluid. Hoe marginaal? Van alle partijen in de Amsterdamse gemeenteraad stonden slechts Denk en Bij1 zij aan zij met Hamburger in zijn strijd tegen de IHRA.

Daarbij willen wij nog één misverstand uit de wereld helpen. Ons wordt ten onrechte een sinister motief toegedicht. Hamburger schrijft dat wij de definitie steunen met een verborgen politieke agenda: onze strijd tegen een tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict op basis van de grenzen uit 1967 én onze steun voor de bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Hier slaat Hamburger de plank volledig mis.

Wij zijn juist vóór twee staten

Wij zijn juist vóór twee staten: een Joodse, en een Palestijnse op de nu nog bezette Westbank. Hoe de grens tussen die twee staten uiteindelijk zal lopen, moet de inzet van onderhandelingen zijn, waarbij vooral naar de praktijk moet worden gekeken. Zeshonderdduizend Joodse bewoners – vaak geboren en getogen op de Westbank – kunnen niet van de ene op de andere dag uit hun huizen gezet worden.

En hoe realistisch is het van Israël te verlangen dat de Oude Stad van Jeruzalem, inclusief de Klaagmuur, de heiligste plaats binnen het judaïsme, aan de Palestijnen wordt overhandigd, nadat de Joden er in 1948 zijn uitgezet in een etnische zuivering? Wie blind blijft hameren op de arbitraire bestandslijn van 1967 als grens, weet dat hij op zoveel verzet zal stuiten dat het vredesproces er alleen mee wordt ondermijnd.

Dit alles weet Hamburger best, als lezer van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) kent hij onze opvattingen te goed om ons sympathie voor een eenstaatoplossing of bezetting in de schoenen te kunnen schuiven – hij komt zelfs regelmatig in het NIW aan het woord. Desondanks schroomt Hamburger niet om de waarheid geweld aan te doen, zowel over onze opstelling in het conflict als over de IHRA-definitie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.