Micha Hamel, componist, dirigent, dichter.

Foto Andreas Terlaak

‘Muziek blijft een raadselachtig verschijnsel dat meer geheimen bewaart dan onthult’

Interview Wie het talent bezit vanuit het niets te scheppen, draagt ook het niets in zichzelf mee. Dat leerde componist en dichter Micha Hamel. Volgende week gaat zijn opera Caruso a Cuba in première op het Opera Forward Festival.

In zijn laatste poëziebundel Toen het moest beschrijft Micha Hamel hoe hij met een vriend door „zinderend zonnig Frankrijk” rijdt. Slingerend over bergwegen beluisteren beiden de Symphonie Fantastique van Hector Berlioz en kletsen „bladibla” wat over de grillige noten. En dan zegt zijn reisgenoot Sander plotseling: „Ik geloof dat muziek het getal nul is.”

Het stemde tot nadenken.

Die autorit langs zomerse vergezichten ligt lang achter hem. Ja, dat cijfer nul. Hamel grijnst. „Ik ken het, dat grote gat waarin alles verdwijnt. Wij praten doorgaans over muziek alsof zij het kopje is waaruit ik drink of de tafel waaraan ik zit. Want we menen te weten wat zij is, hoe ze zich gedraagt. Het tegendeel blijkt het geval. Muziek handelt vreemd: ze gaat dwars door je heen, jij bent in haar, maar zij is ook in jou. Ze blijft een raadselachtig verschijnsel dat meer geheimen bewaart dan onthult.”

Daarom componeert Hamel het liefst voor de menselijke stem. „Geef me een libretto of een mooi gedicht, dan hoef ik niet meer na te denken over waar de noten moeten beginnen. Dan glij ik er zo in.”

Begin maart gaat in Amsterdam zijn nieuwe opera, Caruso a Cuba, in première. Als inspiratiebron gebruikte Hamel de roman Como Un Mensajero Tuyo van de Cubaanse schrijfster Mayra Montero, een mysterieus verhaal over de verdwijning van de beroemde Italiaanse tenor Enrico Caruso na een waargebeurde bomaanslag op het Nationale Theater in Havana.

„Hij hangt als speelbal van de gebeurtenissen tussen leven en dood. Zijn bestaan valt uiteen. Dat geldt evenzeer voor de opera. Hij begint in Italiaanse sferen met mooie melodieën en hoempapa-fanfares die herinneringen aan Verdi oproepen. Na de ontploffing verduisteren schaduwen langzaam het verhaal en de muziek. En aan het slot oogt en klinkt de wereld desolaat en onherkenbaar. De opera en Caruso zijn één.”

Religieus

Wanneer de tenor na de bomaanslag de keuken van een hotel binnenstrompelt, stuit hij op de jonge vrouw Aida. En zij ontfermt zich over Caruso. „Want haar peetvader, de lukumi-priester Calazán, voorziet dat er een man voor haar komt op een dag van rook en stof”, vertelt Hamel. „Het drietal raakt verwikkeld in elkaars lot: de twee minnaars en de geestelijk leider Calazán die betekenis geeft aan de spirituele laag van hun liefde.”

Zo’n religieuze ondertoon weerklinkt vaker in Hamels muziek en in zijn poëzie. Neem het gedicht ‘Varianten’, waarin hij een eigen ervaring toevoegt aan artikel zes van de Grondwet, over de vrijheid van godsdienst: „Wie evenwel op de straatbarbecue zegt gelovig te zijn wordt door ruimdenkende mensen voor gek versleten, dan wel wordt hem/ haar psychofarmica aangeraden, doorgaans op basis van of in combinatie met scheurkalenderkennis.”

Hij lacht breeduit. „Een waar woord toch?” Voor hem is het belangrijk, zegt Hamel, om te aanvaarden dat hij zijn levensweg niet doorziet. „Ik voel dankbaarheid tegenover een instantie die ik niet ken. Deze emotie vormt de grond onder mijn spirituele bestaan, waardoor ik niet alleen op mezelf gericht ben. In mijn ogen is religie een poging tot het definiëren van de grote nul: het besef dat je niet weet tegen wie je praat, of waar de wereld over gaat en dat je daarom maar God noemt. Ik vind het zinnig om te leven met de gedachte in het achterhoofd dat handelingen worden gezien door iemand die macht over jou heeft en die jij niet kent. Dat is gezond. Zo’n beeld draagt, geloof ik, bij aan de ontwikkeling van ons geweten. Niet iedereen zal dat zo zien, voor mij werkt het.”

Universeel

In Hamels Caruso a Cuba zijn beide minnaars behalve zichzelf, ook de verpersoonlijking van de onmogelijke liefde tussen de lukumi-goden van het vuur en het water. Door deze magische atmosfeer in Montero’s roman ontwaakte bij het lezen meteen de componist in hem. „Het klinkt gek, maar in de opera moet er altijd een reden zijn om te zingen. Anders denkt het publiek: ‘Wat staan die mensen te doen? Kunnen ze niet gewoon praten?’ Zingen werkt alleen als de personages verhevigd en universeel zijn, dus zich buiten onze werkelijkheid bevinden.”

Hij kan zo’n opera enkel maken als hij zelf de personages kan zijn, bekent hij. „Ik denk jaren over hen na. En op een dag, wanneer ik genoeg onder hun huid gekropen ben, hoor ik ze in mijn hoofd. Dan hoef ik achter de piano nog slechts de muziek te verzinnen.

„Ik ben afgestapt van het idee van een eigen stijl, systeem of muzikale taal. Het draait erom of ik met en in klank dichtbij Caruso, Aida en Calazán kan komen. Zij lenen hun stem aan mij, niet andersom.”

Andere werelden scheppen in het theater is zijn bestaan, sinds hij zo’n tien jaar geleden besloot de weg van abstracte muziek te verlaten. „Ik ontdekte een diep verlangen om me te bevrijden van de conventies die mijn kunstenaarsleven tot dan vormgaven. De ene Micha Hamel schreef voor regisseurs tonale muziek in het theater en de andere bediende ensembles en orkesten met atonale stukken.”

En toen schreef hij de opera Snow White, naar de surrealistische roman van de Amerikaan Donald Barthelme. „Eindelijk kon ik mijn eigen verhaal vertellen in een waaier van stijlen: van melige liedjes tot calypso met een trompetsolo. In de instrumentale atonaliteit miste ik in toenemende mate een aangrijpingspunt, bij mezelf en het publiek. Voor Sneeuwwitje – waarin de dwergen alcoholische glazenwassers zijn – red je het niet met een twaalftoonsfuga. Dan moet je iets anders bedenken. Dit boek dwong mij mezelf te vernieuwen. Ik koos Snow White, maar zij koos ook mij. Dat was het mooie.”

Caruso a Cuba van Micha Hamel op Opera Forward Festival. Speeldata: 3/3 t/m 9/3. Inl: operaforwardfestival.nl