Foto Akos Stiller/The New York Times

Componist György Kurtág (93) werkt al jaren aan stuk naar Beckett: ‘Ik schaam me voor wat er niet is’

Interview György Kurtág is een van de grootste componisten van deze tijd. Al jaren werkt hij aan een operaversie van Becketts stuk ‘Fin de partie’. Na de bejubelde première in Milaan is de opera nu te zien op het Opera Forward Festival.

Je hebt kunstenaars die zichzelf graag uitgebreid op de borst roffelen, en je hebt kunstenaars als de Hongaar György Kurtág, alom beschouwd als een van de grootste componisten van onze tijd. Voor de wereldpremière van Kurtágs opera Fin de partie, afgelopen november in La Scala in Milaan, was de complete mondiale muziekpers uitgelopen, en van New York tot Parijs en Londen oordeelde men enthousiast tot jubelend. Een „meeslepende patstelling”, schreef NRC. Die Zeit sprak van „het evenement van het seizoen, misschien wel van het decennium”. Volgende week is Fin de partie drie keer te zien in het Opera Forward Festival van De Nationale Opera in Amsterdam.

Kurtág (1926) zelf, unverfroren, zegt: „Ik schaam me voor wat er niet is.”

Wat er niet is: bijna de helft van het toneelstuk Fin de partie (1957) van Samuel Beckett, waarop de opera is gebaseerd. Volgens regisseur Pierre Audi is Fin de partie af. Volgens Kurtág niet. Hij wil „de rest” ook componeren, dan moeten toekomstige regisseurs maar beslissen welke delen ze gebruiken: „Het moet er zijn.” De kans dat het hem nog zal lukken, schat hij niet zo hoog in, tenzij hij „honderdtwintig” wordt.

György Kurtág en zijn vrouw Márta, pianiste, zitten naast elkaar op de bank van hun woning op de bovenste verdieping van het Budapest Music Center. Een week eerder is Kurtág 93 geworden, zijn vrouw is inmiddels ook op leeftijd: zij is twee jaar jonger. De ouderdom komt met gebreken en toen de Kurtágs in 2015 niet meer zelfstandig konden wonen, bood het BMC hun deze kamers aan. „Een groot cadeau”, zeg Márta. Er is een werkkamer, volgestouwd met boeken en partituren. Medewerkers brengen eten en de post naar boven.

Componist, hoboïst en dirigent Heinz Holliger loopt binnen, bijna tachtig, hij voert binnenkort werk van Kurtág uit en hij heeft wat vragen over het derde deel van de Brefs messages. Hij komt straks wel terug, maar blijft toch even plakken.

De Kurtágs waren er niet bij, in La Scala, en ook de uitvoeringen in Amsterdam moeten ze laten passeren. „Ik kan niet eens meer de straat op, Márta ook niet. Over de negentig is het leven niet eenvoudig. De muziek heeft ons in leven gehouden. Nu zullen we zien hoe het gaat”, zegt Kurtág, de laatste van de avant-gardegeneratie van Boulez, Stockhausen, Ligeti en Nono.

Na de première, die hij op de radio beluisterde, was Kurtág „tamelijk vertwijfeld”. Toen hij een videomontage van de Milanese voorstellingen had gezien „ging het een beetje beter”. Dat is kurtágiaans voor aanzienlijke opluchting, misschien zelfs het voorzichtige begin van tevredenheid.

Terecht. Beckett verzette zich bij leven tegen het idee dat zijn teksten op muziek zouden worden gezet, maar Kurtág heeft een brief gekregen van Edward Beckett, de neef van de schrijver, die bij de première aanwezig was en zeker wist dat zijn oom tevreden zou zijn geweest.

Kurtág: „We weten het niet.”

Tour de force

Fin de partie , met de bescheiden ondertitel ‘Scènes et monologues’, is een tour de force van twee uur zonder pauze – ongehoord in Kurtágs oeuvre van compacte kleinodiën. Met de zangers hebben de Kurtágs twee jaar intensief gewerkt. In de aanloop naar de Amsterdamse uitvoeringen heeft Kurtág verzocht om kleine veranderingen in dictie en articulatie – „misschien wel het belangrijkste in opera”. Dat heeft hij niet zelf bedacht, maar geleerd van zijn voorgangers, van Monteverdi tot Puccini en Strauss: „Vooraleerst tekst zéggen, dan pas zingen.”

Fin de partie , geschreven in het Frans en door Beckett zelf vertaald als Endgame , gaat over de autoritaire blinde Hamm (die niet kan lopen) en zijn aangenomen zoon Clov (die niet kan zitten). Hamms ouders, Nagg en Nell, zijn er nog erger aan toe: zij hebben geen benen en leven in vuilnisbakken, net als Oscar in Sesamstraat. De surplace van Becketts En attendant Godot is in Fin de partie uitgebreid naar vier karakters, grof uitgehakt, die als een soort schaakstukken in het eindspel zijn beland.

Hamm (bas Frode Olsen) zit voor een huis in zijn rolstoel, de neurotische Clov (bariton Leigh Melrose) drentelt wanhopig stamelend rond, gekluisterd door zijn gehoorzaamheid. Tegen de muur staan de vuilnisbakken van Nagg (tenor Leonardo Cortellazzi in zijn DNO-debuut) en Nell (mezzosopraan Hilary Summers). Hun karakters zijn goed getroffen en de cast is formidabel.

Veelzeggend is dat Kurtág zichzelf beschouwt als „een tweede Clov”, het sloofje van Hamm: „Ik ben er om Beckett te dienen, te vertalen.” Eveneens veelzeggend is dat Kurtágs Clov „geen psychopaat” is, integendeel: een neuroot, een „vernederde en beledigde” zelfs (naar de roman van Dostojevski), maar toch vooral de belichaming van humaniteit. De opera Fin de partie is niet cynisch, maar biedt een verwachtingsvol en troostrijk open einde.

„Op onze leeftijd begrijp je wat het einde betekent”, zegt Márta. „Fin de partie is ook ons eindspel.”

Vroeger was Kurtág stellig: hij zou nooit een opera schrijven. Pierre Audi, met wie Kurtág bevriend is sinds de jaren tachtig, probeerde hem meermaals te verleiden. In de tijd dat Jan van Vlijmen intendant was bij DNO lag er in Amsterdam een contract voor hem klaar, maar in de nacht voor de feestelijke ondertekening bedacht Kurtág zich. Men reageerde „heel tolerant” en het werd alsnog „een feestelijke niet-ondertekening”, zegt Kurtág.

Het is te danken aan de vasthoudendheid van La Scala-intendant Alexander Pereira – „een man tegen wie je geen nee zegt”, aldus Audi – dat Kurtág in 2010 toch begon. Pereira kondigde Kurtágs opera sindsdien jaarlijks aan, bij zijn vorige werkgevers in Zürich en Salzburg en toen in Milaan, maar had altijd een plan B achter de hand: ‘onaf’ is immers een natuurlijke staat van zijn binnen Kurtágs oeuvre, dat bestaat uit bondige stukken die niettemin vaak oeverloos zijn in hun wordingsgeschiedenis.

„Iedereen dacht: zo’n oude man, die zal dat stuk nooit afmaken”, zegt Márta.

„Het is ook niet af”, zegt Kurtág droog.

De officiële lezing is dat hij ongeveer 60 procent van Becketts tekst op muziek heeft gezet, maar Kurtág houdt het op „iets meer dan 50 procent”. Alle belangrijke dingen staan er nog niet in, beweert hij, zoals de scène waarin een tot op het bot getergde Clov de hond oppakt en Hamm ermee op zijn kop slaat. „Een ramp”, zegt Kurtág. „Een opera zonder die scène is zowat gecastreerd.”

De goedgemutste ernst waarmee Kurtág bikkelhard vonnist is totaal vrij van pedanterie. Hij kent de muziekgeschiedenis van haver tot gort en zijn lat ligt hoog. Onder musici is Kurtágs scherpe oor berucht: hij is onvermoeibaar kritisch en chronisch ontevreden, wat onverdraaglijk zou zijn als hij niet ook zo’n hartverwarmende persoonlijkheid was.

Achteraf is het logisch dat Kurtágs oeuvre zou culmineren in een Beckett-opera. In 1991 schreef hij zijn eerste Beckett-werk, het verpletterende What is the word, over verlies van taal en betekenis. Later speelde hij met de gedachte aan een drieluik op de korte toneelteksten Footfalls, Rockaby en Play. Hij begon er zelfs aan – maar keerde uiteindelijk terug naar de tekst waarmee zijn Beckett-liefde ooit begonnen was.

„Entschuldigung”, zegt Márta met een quasi-bedeesde blik. „Ik zei tegen je: waarom niet Fin de partie?”

Kurtág lacht en pakt liefdevol haar oorlelletje vast. Hij noemt haar zijn „muse-gendarme”.

Twee-eenheid

De Kurtágs, 72 jaar getrouwd, vormen een organische twee-eenheid. Ze maken elkaars zinnen af, ze helpen elkaar bij het opdiepen van bijna een eeuw aan herinneringen. Márta corrigeert György’s Duitse naamvallen. Ze citeren Franse poëzie uit het hoofd. In The New Yorker noemde Alex Ross Fin de partie „het laatste meesterwerk van de twintigste eeuw”, en daarmee bedoelde hij niet dat Kurtágs muziek ouderwets zou zijn – dat is ze geenszins –, maar dat ze voortkomt uit een cultuur die volledig in de diepte leeft, onder de oppervlakte van digitale vluchtigheid, en die onherroepelijk verdwijnt.

„Om de opera echt te kunnen begrijpen moet men eigenlijk het werk van Beckett kennen”, zegt Kurtág.

In april 1957 ging Kurtág op aanraden van zijn vriend en landgenoot Ligeti naar het theater in Parijs om een nieuw stuk te zien: Becketts Fin de partie was eerder die maand in Londen in première gegaan. Voor Kurtág begon een levenslange fascinatie. De uitgave die hij naderhand kocht, ligt nog altijd op zijn bureau, in een plastic mapje, stukgelezen.

Diezelfde avond werd ook Becketts pantomime Actes sans paroles I uitgevoerd, met muziek van John Beckett, een neef van de schrijver. En het was „de smaak” van die verloren gegane muziek, waarvan hij zich verder niets kan herinneren, die Kurtág uiteindelijk op het spoor van zijn opera zette: na ruim zestig jaar borrelden opeens de allereerste woorden van Clov (Fini, c’est fini, ça va finir) in hem op. „Daar heb ik niks meer aan veranderd. Samen met de eerste monoloog van Hamm vormen ze eigenlijk een complete opera.” Dat klinkt echt als Kurtág, die componist de gecomprimeerde miniatuur tot hoge kunst heeft verheven. Maar na die „complete opera” van nog geen tien minuten volgt nog een avond muziektheater en die is, zacht uitgedrukt, óók de moeite waard.

Fin de partie . Radio Fil. Orkest o.l.v. Markus Stenz. 6, 8 en 10/3 Nationale Opera & Ballet, Amsterdam. Inl: operaballet.nl