Een mooie mengelmoes

Ewoud Sanders

Onlangs meldde ik in deze rubriek dat onderzoekers van de Universiteit Utrecht hebben aangetoond dat het taalgebruik in zestig Nederlandse romans de afgelopen zestig jaar niet is versimpeld, maar dat kranten in die periode wel eenvoudiger zijn gaan schrijven. Voor de kranten baseerden zij zich op een corpus van tweehonderd stukjes uit twee perioden, samen goed voor zo’n tachtigduizend woorden.

Interessant en veelbelovend onderzoek, schreef ik toen, maar je zou het graag zien toegepast op grotere tekstcorpora.

Welnu, voor de kranten kan dat binnenkort, zij het voor kranten van veel langer geleden, namelijk uit de zeventiende eeuw. In 1618 verscheen de eerste Nederlandstalige krant, aan het eind van die eeuw waren er in de Republiek 36 titels op de markt.

Sinds een paar jaar zijn alle bewaard gebleven exemplaren van twaalf van die kranten te raadplegen op de onvolprezen site delpher.nl. Nog een paar cijfers: ze bevatten bij elkaar tachtigduizend artikelen, samen goed voor zeventien miljoen woorden.

Dat weten we zo precies omdat die artikelen de afgelopen jaren zijn uitgetikt door ruim tweehonderd vrijwilligers onder leiding van de historisch taalkundige Nicoline van der Sijs. Dat uittikken was nodig omdat kranten tot circa 1660 werden gezet in het hoekige Gotische schrift; dat kan de computer niet foutloos omzetten in een doorzoekbare tekst.

Voor het eerst in de geschiedenis van het Nederlands, net nu de VU heeft besloten om wegens gebrek aan belangstelling te stoppen met de opleiding Nederlands, komt er dus een ware goudmijn beschikbaar voor onderzoek naar de beginperiode van het Standaardnederlands.

Tot nu is de theorie dat er in de zestiende eeuw nog geen Nederlands bestond: men sprak in onze streken een „mooie mengelmoes” van dialecten, zoals Bredero het de knecht Robbeknol laat zeggen in de Spaanschen Brabander Jerolimo. De standaardtaal ontstond in de zeventiende eeuw, maar hoe precies? Welke rol speelden kranten daarbij? En hoe verhoudt de krantentaal in de Gouden Eeuw zich tot die in brieven, in literaire en in religieuze werken?

Onlangs tipten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp een paar van die onderwerpen in een boekje getiteld ‘Een mooie mengelmoes.’ Meertaligheid in de Gouden Eeuw (Amsterdam University Press; 17,99 euro). Zo zocht Van der Sijs met een steekproef uit of kranten van toen Nederlandse alternatieven bedachten voor leenwoorden. Ze stelde vast dat het woord veldtocht in kranten nauwelijks kon opboksen tegen campagne, maar dat cavalerie werd verdrongen door ruiterij en dat welsprekendheid het geleidelijk aan won van eloquentie.

Ook voor historici en andere onderzoekers zijn die uitgetikte collecties kranten uit de zeventiende eeuw natuurlijk een goudmijn. Zo zullen kerkhistorici wellicht met belangstelling kennis nemen van een bericht in de Oprechte Haerlemsche Courant van 11 september 1688. Daarin staat dat de paus in Rome een kardinaal opdracht heeft gegeven om „alle ontuchtige Mans- en Vrous-Persoonen gevangen te setten”. Van de paus kreeg de kardinaal het advies „dat hy onder anderen in die Straet en soo een Huys een bekent Mans-Persoon soude vinden”. De kardinaal laat de ontuchtpleger gevangennemen en bij de paus brengen. Daar stelde hij vast, zo meldt de correspondent uit Rome, „dat het sijn Intendant was, en dat den Paus hertig over dit voorval gelachen heeft”.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders