Opinie

De IQ-test als klassenstrijd op school

Onderwijsblog Hoogopgeleide ouders sturen hun peuters naar testbureaus, want ‘hoogbegaafd’ geeft recht op een speciale behandeling, constateert Tjip de Jong.

Joel van Houdt/ANP PHOTO

Het testen van kinderen op hoogbegaafdheid is populair in Nederland. Talloze testbureaus claimen via een serie online vragen te kunnen aangeven of je kind hyperslim is, onderpresteert dan wel kampt met een leerstoornis. Je raadt het al: het vervolgadvies is om langs te komen voor een intake en testdag. De kosten voor zo’n test? Rond de 750 euro. Het valt mij op dat de criteria van hoogbegaafdheid vaag en willekeurig zijn. Als je kind snel is afgeleid, zich verveelt op school, slecht tegen autoriteit kan, agressief is, creatief of juist stil is, kan er al sprake zijn van ‘HB’ (hoogbegaafdheid). Onderpresteren of een gedragsstoornis wordt ook snel gekoppeld aan het hebben van bovenmatige intelligentie.

Testen kan al vanaf tweeënhalf jaar

Testbureaus kunnen al na één dag weten of je kind hoogbegaafd is. Ze bepalen dit door kinderen op een externe locatie allerlei opdrachten uit te laten voeren, zoals puzzels maken, gesprekken voeren, tekenen of ruimtelijke figuren in elkaar zetten. Ouders krijgen spreektijd om hun zorgen toe te lichten. Ook wordt er een IQ test afgenomen. Dat kan al vanaf tweeënhalf jaar. Mijn kinderen waren toen nog niet eens zindelijk, maar goed. Ouders kunnen ook een expert inhuren die je kind een dag observeert in de klas. Dit lijkt mij lastig voor een leerkracht: ongevraagd een paar vreemde ogen in je klas. En hoe is dat voor al die andere, ‘gewone’ kinderen? Ik moest terugdenken aan het einde van het boek Animal Farm van George Orwell: all animals are equal, but some animals are more equal than others. Het ene kind is vandaag de dag het andere niet. Waarom is dit testen ineens zo in de mode?

De IQ-test als ticket voor beter onderwijs

Dit testen heeft een duidelijk doel. Een HB-etiket in Nederland opent de deuren naar beter onderwijs. Hoogbegaafd onderwijs is een totaal andere onderwijswereld dan de gemiddelde leerling vandaag de dag tegenkomt. Kleinere klassen, meer begeleiding, hoger opgeleide leerkrachten en tal van extracurriculaire activiteiten. Bureaus spelen hier handig op in.

Maar is het echt nodig om steeds meer jonge kinderen te testen op hun IQ en ze op basis hiervan in aparte groepen te plaatsen? Welke consequenties heeft dit testen nog meer? Wat ik zorgelijker vind, is dat als je eenmaal iets gaat meten je ook altijd wel ‘iets’ vindt. De criteria zijn zo algemeen en abstract dat het me sterk lijkt dat een kind de testruimte zonder etiket verlaat. De criteria die bepalen of een kind wel of niet ‘hoogbegaafd’ is, zijn diffuus, net zoals de definiëring en diagnose. Er wordt van alles bij gehaald. Creativiteit, niet willen leren, onrustig zijn, verveling, hoog IQ, onderpresteren of gedragsproblemen in de klas. Het komt over als een allegaartje van psychologische variabelen. Mij lijkt het ingewikkeld om hoogbegaafdheid met enige zekerheid te ‘vast te stellen’ bij een kind.

Stickertjes plakken op kinderen

Ik ontmoet steeds meer schooldirecteuren die vertellen dat ze dol worden van ouders die naar manieren zoeken om hun kind ‘getest te krijgen’. Dat wil niet zeggen dat deze directeuren tegen variatie in lesaanbod zijn. Het kenmerk van een aantrekkelijke schoolomgeving is immers ook de mate waarin die kan aansluiten bij de mogelijkheden en ontwikkeling van leerlingen. Maar ik heb het idee dat we stilaan een schoolomgeving creëren waar elk kind gauw een stickertje krijgt opgeplakt met een diagnose, terwijl de collectieve schoolresultaten jaarlijks achteruitgaan. Zoals het ritalinrecept tegen ADHD, jaren geleden. Daar zijn de meningen nu ook flink over veranderd.

Maar hier stopt mijn kritiek die tests voor jonge kinderen niet:

  • Scholen hanteren een aannamebeleid op hoogbegaafdheid. De test moet dan afgenomen zijn bij een ‘preferred supplier’. Vaak hoort hier een IQ bij van boven de 130. Bij testen op hoogbegaafdheid gaat het erom een zo hoog mogelijk score te halen. Het is dus strikt genomen geen meting maar een selectieprocedure.
  • Het testen van kinderen is een commerciële activiteit. Sommige ouders kunnen dit niet betalen. Het werkt hierdoor sociale ongelijkheid in de hand.
  • Een IQ-test is een momentopname. Over twee jaar kan de test heel anders uitpakken, al helemaal bij kinderen.
  • Testbureaus leggen moeiteloos relaties tussen hoogbegaafdheid en allerlei andere diagnoses zoals autisme, een leerstoornis, dyslexie, dyscalculie of ADHD. Een gecombineerde diagnose zet echter ook grote vraagtekens bij de interpretatie van de resultaten.
  • Hoogbegaafdheid is ongemerkt een moreel criterium. Het zegt iets over wat wij als samenleving bestempelen als ‘hoogstaand’, bijzonder of uniek. Je zou het bijna kunnen zien als een culturele norm. Dit zet druk op de ambitie om als land goed onderwijs voor iedereen aan te bieden.

    Slecht gedrag

    Het valt mij op dat kinderen die zich op school slecht gedragen, brutaal zijn, niet kunnen stilzitten en een hoge dunk van zichzelf hebben tegenwoordig door externe experts snel worden gelabeld als potentieel hoogbegaafd. Natuurlijk zijn er kinderen die snel kunnen leren of veel meer aankunnen qua lesinhoud. En het kan ook best zo zijn dat onvoldoende uitdaging bij kinderen leidt tot gedragsproblemen. Het lijkt me andersom echter geen voorwaarde voor hoogbegaafdheid.

    Een heel kleine groep kinderen is vast gebaat bij passend onderwijs, maar het is minstens zo belangrijk ons af te vragen wat het effect is van het grote aanbod van commerciële partijen die zelftests, scans, trainingsdagen en IQ-assessments voor jonge kinderen aanbieden. De ervaring leert dat marktwerking niet altijd het mooiste in de mens naar boven haalt. Dat is zonde, want het gaat om leerlingen die de wereld te winnen hebben.

    Dr. Tjip de Jong is zelfstandig onderzoeker, docent en adviseur leren en ontwikkelen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.