Recensie

Recensie Beeldende kunst

Beklemmend intieme doeken van Bonnard

Tentoonstelling Pierre Bonnard zonderde zijn privéleven af van de buitenwereld, behalve op zijn schilderijen. Zijn geschilderde wereld is aantrekkelijk, maar niet uitnodigend. Dat is te zien op een geweldige expositie in Tate Modern.

Pierre Bonnard: La salle à manger, Vernon (ca. 1925).
Pierre Bonnard: La salle à manger, Vernon (ca. 1925).

Mannen in hemdsmouwen, vrouwen in zomerjurken, bruinverbrand onder de mediterrane zon. De bewegende beelden van honderd jaar geleden zijn nu te zien op de tentoonstelling Bonnard, the colour of memory in de Londense Tate Modern. De schilder zelf houdt altijd zijn vest aan en zijn hoedje op. Van achter de dubbele patrijspoort van zijn ronde brillenglazen beschouwt hij die hele vrolijke wereld alsof hij er zelf zojuist is binnengestapt.

„Wie zingt is niet altijd zelf gelukkig”, schreef Bonnard (1867-1947) in een van zijn notitieboeken, en de vele zelfportretten bevestigen het. Die vormen een zonderlinge subcategorie in dit oeuvre van zomerse tuinen en warme interieurs. Op de Londense expositie zijn er een stuk of wat te zien: een eivormig gezicht met snorretje kijkt verstoord naar ons op, alsof wij ongewenste gasten zijn in zijn persoonlijke wereld. Tot je beseft dat de schilder zichzelf op die manier bekijkt, via een spiegel. Soms is het gezicht zo donker tegen het helverlichte interieur achter de spiegel, dat je de gelaatstrekken nauwelijks kunt onderscheiden. Alleen de omtrek, en die uitdrukking, die zie je.

Naast de filmpjes toont Tate ook een flink aantal foto’s van de oudere Bonnard aan het werk. In zijn kleine driehoekige atelier in Le Bosquet aan de Côte d’Azur prikte hij zijn doeken direct op de wand, pal naast en boven elkaar. Meestal werkte hij gelijktijdig aan die doeken: kijkend, vergelijkend, zoekend naar een perfecte kadrering, perfecte verdelingen van compositie, en kleur. Maanden, soms jaren besteedde hij daaraan. Als het gaat om kunst is tijdverspilling een uitstekend instrument, vond hij.

Lees ook de column van Joyce Roodnat: Bonnard die net met Marthe vree

Toverlantaarn van kleur en licht

Opspannen en inlijsten gebeurde pas nadat ze zijn atelier hadden verlaten, in Parijs in Galerie Bernheim-Jeune. Tate had het goede idee om vijf van zijn schilderijen zonder lijst te tonen. Zo zie je pas goed hoezeer de randen een onderdeel zijn van het schilderij. En hoe serieus Bonnard dat onderdeel nam. Zo zie je bij die naakte schilderijen des te beter hoe goed hij was met kleur. Hoe hij een tafelkleed of tegelvloer wist om te zetten in een toverlantaarn van kleur en licht.

Dat opprikken deed Bonnard ook omdat hij zijn doeken dan makkelijk kon oprollen en meenemen in zijn gele Renault naar zijn andere atelier, in Normandië. Beide ateliers waren, getuige de foto’s, zo klein dat je je afvraagt waar de fotograaf heeft gestaan. „Grote ruimtes jagen mij angst aan”, zei Bonnard eens.

Ook voor ons is voelbaar geen plaats in Bonnards geschilderde wereld, die wel aantrekkelijk is maar eigenlijk niet uitnodigend. Dat geldt voor de zelfportretten, maar ook voor veel van zijn interieurs, en zelfs zijn uitzichten door een raam. Het zit hem in de composities, die vaak een beetje gewrongen zijn, een samengedrukte wereld die zijn eigen gang gaat.

Het grootste deel van Bonnards onderwerpkeuze past op de vierkante meters van een badkamer, een keukentafel, een raam. Vaak wordt het blikveld abrupt afgesneden, waardoor figuren op een oor of een hand na verdwijn en. In zijn landschappen is de horizon zo hoog, dat wij kijkers als het ware worden teruggeduwd, het beeldvlak uit.

Bonnard: Paysage au Cannet (1928) in Tate Modern.

Foto Neil Hall

Bonnard had al sinds 1911 een auto, hij maakte veel uitstapjes, soms lange reizen maar hij kwam altijd weer terug. En al zijn schilderijen ontstonden in het atelier; nooit buiten. Eerst moest de filter van het geheugen erop, dan pas kon zijn eigen, imaginaire wereld langzaam kleur aannemen. De werkelijkheid was te opdringerig, vond hij. Die leidde af van wat hem had getroffen. Indrukken noteerde hij in zijn schetsboeken, om de herinnering vervolgens weer op te diepen in de intimiteit van zijn atelier. Vergezeld door zijn vrouw Marthe de Méligny en zijn teckels, telkens nieuwe. Aan Marthe bleef hij trouw hoewel er in dat lange leven ook twee andere liefdes waren, die kort duurden en tragisch eindigden.

De zanger zingt niet altijd van zijn eigen geluk, maar hij kan niet verhinderen dat er van alles doorschemert in zijn kunst. De merkwaardige, gedempte sfeer bijvoorbeeld. In weerwil van de vrolijkheid in de stomme filmpjes zat het leven van Pierre en zijn levensgezellin Marthe vol geheimen. Niet alleen voor ons, ook voor elkaar en voor de wereld om hen heen. Bij hun ontmoeting zei Marthe dat ze 16 was in plaats van 24, en ze stelde dat getal pas 32 jaar later bij, na hun huwelijk, dat ook in stilte plaatsvond.

In 1925, het jaar van dat huwelijk begon Bonnard aan de befaamde reeks ‘Marthe in bad’, waar hij er honderden van zou maken. Die schilderijen vormen ook in Londen een hoogtepunt, het zijn majestueuze meesterwerken, fors van formaat, ongelooflijk goed en van een bijna beklemmende intimiteit. Maar buitenshuis schermde hij Marthe af. Volgens de berichten drong zij daar zelf sterk op aan. Het verhaal gaat dat hij bij gezamenlijke uitstapjes een paraplu meenam om haar tegen ongewenste blikken te beschermen.

Bij een expositie in Tate in 1998:

Feitelijk leefde dit paar onder een zelfgebouwde glazen stolp. Binnen die stolp bouwde Bonnard onophoudelijk aan dat imposante oeuvre van 2.200 werken, waaronder ruim driehonderdvijftig van Marthe, eeuwig jong en badend.

Buiten de stolp was Bonnard een succesvol kunstenaar: voor zijn dertigste beroemd, toerend en exposerend door heel Europa. In 1911 stak de storm op. Picasso en Braque maakten werk dat niemand ooit eerder had gezien, mooi en vreemd. Een oorlog brak uit, en tegen het eind van zijn leven nog een, maar Bonnard, steeds eenzamer in zijn element, bleef schilderen, doek na doek. Ook wat hij in die latere jaren maakte is te zien op de wanden van Tate. Het bewijst daar hoe radicaal en volstrekt eigen het werk was dat hij ook toen uit zijn geheugen opdiepte.

„Ja!”

„Is Bonnard een groot schilder?”, galmde kunstcriticus Christian Zervos in 1947 in het tijdschrift Cahiers d’Art, om zelf meteen maar het antwoord te geven: „Nee.” Bonnard was te weinig geëngageerd om nog relevant te zijn. Eén oude vriend nam het voor hem op. Razend kalkte Matisse over de eerste bladzij van het stuk van Zervos: „Ja! Ik verzeker u dat Bonnard een groot kunstenaar is, nu en in de toekomst.” Matisse scheurde het uit en stuurde het naar Zervos.

Bonnard zelf antwoordde nooit op kritiek. Het enige dat hij ertegenover stelde was zijn oeuvre. En dat bleef geliefd, ondanks het misprijzen van critici die vinden dat kunst doorbraken moet forceren.

Lees meer over Bonnard en de schilders en Les Nabis: Pierre Bonnard = bonheur

Maar Matisse had gelijk: Bonnard keert terug, nu en in de toekomst. Uitgerekend Tate Modern, de kolossale koploper in het tonen van spannende, maatschappelijk geïnspireerde kunst, heeft nu een grote tentoonstelling van de stille, late Bonnards. Veel eerder al bewezen kunstenaars als Mark Rothko, Ger van Elk en Peter Doig hem eer . The Return of Pierre Bonnard, 1917-1971 heet een werk van Van Elk, van het geschilderde landschap uit de collectie van het Stedelijk, l’Estérel, gemonteerd tegenover een spiegel. Bonnards l’Estérel hing jaren in het depot van het Stedelijk. Nu schittert het in Tate.