Recensie

Recensie Beeldende kunst

Alles is associatie en inventiviteit bij Jacqueline de Jong

Tentoonstelling Jacqueline de Jong beleefde haar bloei eind jaren zestig in het opstandige Parijs. Ze laat in het Stedelijk Museum haar werk zien samen met dat van vele anderen.

Jacqueline de Jong, Geen titel (1965) Playboy no. 1 (1964) Op de Queue nemen (1977)
Jacqueline de Jong, Geen titel (1965) Playboy no. 1 (1964) Op de Queue nemen (1977) Collectie kunstenaar Foto Cobra Museum Collectie kunstenaar/ Foto Courtesy Dürst Britt & Mayhew

Ze is wars van betutteling. Zeg je dat ze iets moet doen, dan doet ze het juist niet, of op een manier die je niet verwacht. Ze is wars van traditionele rolverdelingen. Wie heeft bedacht dat je jezelf als vrouw vooral vervult via het moederschap? Zij niet. Dus nee, er zijn geen kinderen. Ze is wars van poeha, van kunsthistorische sterrenstof en ego-geblaat. Jacqueline de Jong – de kunstenaar die in 1939 in Hengelo wordt geboren, in 1960 naar Parijs verhuist, daar de opstandige jaren zestig meemaakt en korte tijd deel uitmaakt van de revolutionaire (en in toenemende mate dogmatische) groep Situationiste Internationale – is een genereuze vrouw. En dat is een eigenschap die je niet bij velen in de kunstwereld aantreft.

Het blijkt op de overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum. Pinball Wizard – Werk en leven van Jacqueline de Jong strekt zich uit over dertien zalen, waarbij schilderijen, tekeningen, beelden, grafisch werk, archiefstukken en meer worden getoond naast, maar vooral samen met het werk van kunstenaars die haar inspireren. De Jong heeft vrij in de collectie van het Stedelijk mogen grasduinen, waardoor tientallen werken die zelden of nooit het depot hebben verlaten, nu te zien zijn.

Lees ook het interview met Jacqueline de Jong: ‘We dachten in 1968: nu gaat de wereld beter worden’

Dat is een groot geschenk. Dus ga die versplinterde stad zien die de in Nederland nagenoeg vergeten, Portugese Maria Elena Vieira da Silva in 1954 schilderde. Kijk waarom het bijna abstracte boeket bloemen dat Nicolas de Staël twee jaar voor zijn zelfdoding in 1955 schilderde, zo uitgewogen en precies is – en daarom zo goed. Geniet van Asger Jorns brisante spoken en Ronald Ophuis’ geserreerde ‘treurwerken’ op papier over de oorlog in ex-Joegoslavië.

Daarnaast zijn er bruiklenen die een persoonlijke betekenis voor De Jong hebben. Een ontroerend voorbeeld is de knuffelachtige maar massief houten Waakhond (1949) van de Deense Cobra-kunstenaar Henry Heerup, die in de tuin van De Jongs (kunst verzamelende) ouders stond. Deze hond – half fabeldier, half boomstronk – leidt De Jong binnen in de wereld van de hedendaagse kunst. En die wereld wil ze ook zelf, actief, als maakster, betreden.

Verdrietig

De Jongs expressieve verlangen uit zich vroeg. Dat blijkt op een sterk zelfportret uit 1950, waarbij ze de spot die ze als elfjarige op school ervaart vanwege haar woeste, rode krullenbos, omzet in een moedig Zelfportret als Papoea (1950). In 1958 gaat ze werken op de afdeling toegepaste kunst van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Daar wordt haar ongebreidelde creativiteit opgemerkt door directeur Willem Sandberg en onderdirecteur Hans Jaffé van wie ze les krijgt in kunstgeschiedenis. Zij raden haar aan om bij een graficus in de leer te gaan in Parijs. Dat doet ze, maar de opleiding is van korte duur. De Jongs leerschool, zo kun je beter zeggen, is het echte leven, waar ze als een balletje in een flipperkast (een favoriet tijdverdrijf en belangrijk symbool voor haar) doorheen stuitert.

Jacqueline de Jong, Playboy no. 1 (1964), Cobra Museum voor Moderne Kunst.

Zo stuitert ze door de verschillende kunsthistorische stijlen en langs het werk van de goede kunstenaars die haar omringen. Van ieder neemt ze wat mee, en jammer genoeg functioneren, zeker vanaf eind jaren zestig, de vergelijkingen op zaal met andere kunstenaars niet in haar voordeel. Wat ze maakt is een soort van Cobra, een vleugje installatiekunst, dan weer wat hippe nieuwe figuratie en met de komst van het postmodernisme wordt alles mogelijk. Niets beklijft.

Uit De Jongs schilderijen spreekt een voorkeur voor harde en schelle kleuren, composities die het doek uit meanderen, en thema’s die gerelateerd zijn aan seks, eten en droomachtige scènes. Het oorlogsschilderij dat ze in 2014 maakt, in terugblik op de Eerste Wereldoorlog, is plat en valt in het niet bij het weergaloze Vietnam-schilderij vlakbij van Roberto Matta. En van de toeëigeningen – zoals de tekeningen van Malevitsj die ze op groot formaat ‘inkleurt’ (eind jaren negentig) – word je gewoon verdrietig.

Beeldencyclopedie

Jacqueline de Jong, Op de Queue nemen (1977), collectie van de kunstenaar. Foto Courtesy Dürst Britt & Mayhew, Den Haag (NL) / Château Shatto, Los Angeles (US)

Als je alleen naar de kwaliteit van dit werk kijkt, is het een raadsel waarom het Stedelijk zoveel ruimte besteedt aan Jacqueline de Jong. Misschien omdat ze past in de trend van herwaardering van ondergesneeuwde, vooral vrouwelijke kunstenaars. Maar waarschijnlijker is de verklaring dat zij in een korte periode echt heel erg goed werk heeft gemaakt. Dat werk komt tot wasdom in de jaren zestig, als ze deel uitmaakt van de Situationiste Internationale. Het in woeste streken geschilderde Night Animals (1961) is een geslaagd voorbeeld van een kunstenaar die werkt in een Cobra-idioom dat de abstractie nadert maar die niet helemaal voor de kijker invult. Vooral vanaf 1962, wanneer ze door Guy Debord uit de Situationisten wordt gezet, ontstaat haar beste, vooral grafische werk. Fijn recalcitrant gaat De Jong na haar verstoting door met de productie van het onregelmatig verschijnende tijdschrift dat een kunstwerk op zichzelf is en dat de bezoeker nu met handschoenen aan in het Stedelijk te bekijken is. Tussen 1962 en 1967 verschijnt haar The Situationist Times zes keer. Zes keer zie je onder haar handen en via haar ogen een geheimzinnige en verleidelijke beeldencyclopedie ontstaan. Knopen, cirkels, sterren, slakkenhuisvormen: uit alle godsdiensten, landstreken en tijden haalt De Jong symbolen bij elkaar. Niets wordt beredeneerd, alles is associatie en inventiviteit. Mooi is dat te zien op een afbeelding van een notenschrift waarvan de balken eindigen in gestileerde knopen. De muziek houdt op, de stoelen worden aan de kant geschoven. Alles kan in principe doorgaan, maar soms ook liever niet.