Opinie

    • Ellen Deckwitz

Tederheid

Dus ik was bij mijn ouders en zocht nog wat te lezen voor mijn treinreis terug naar fijnstofland. In een van hun zestig boekenkasten stuitte ik op een stokoud exemplaar van Lady Chatterley’s minnaar , de roman waarvan iedereen die hem niet gelezen heeft denkt dat-ie alleen maar gaat over seks met boswachters. De laatste keer dat ik Chatterley las, was ik twintig en ik had wel weer trek in iets meeslepends. Het was de eerste druk in het Nederlands, dus voor de zekerheid vroeg ik mijn moeder of ik hem mee mocht.

„Ah, zo veel herinneringen”, zei ze, terwijl ze de beduimelde witte kaft streelde. „Je opa heeft deze destijds nog gekocht bij de socialistische boekhandel.”

Ik gniffelde. Als rechtgeaard katholiek was hij als de dood dat zijn parochiegenoten hem zouden betrappen op het kopen van vunzige boekjes.

„We lazen hier vroeger in als onze ouders naar de soos waren. Zaten we daar met rode oortjes de pagina’s om te slaan”, giechelde mijn moeder. „Maar je grootvader werd heel boos van dit boek. Soms begon hij erin en smeet het dan opeens woedend weg. En dat terwijl hij niet preuts was, ik bedoel, hij kwam uit Indië, de boel was daar zwoeler dan een Sylvia Kristelrolprent.”

Eenmaal in de trein en verdiept in Lady Chatterleys avonturen begon ik te begrijpen waarom het werk mijn grootvader zo boos maakte. Mijn opa (1924-1968) bracht zijn puberteit door in een jappenkamp en was na afloop even beschadigd als Lord Clifford Chatterley, die lichamelijk en geestelijk geknakt uit de loopgraven terugkeerde. D.H. Lawrence beschreef waar mijn grootvader niet over kon spreken: de gevolgen van aanhoudende doodsangst. Bovendien draait de roman om tederheid, niet zozeer naar de ander toe maar naar je eigen lichaam en geest. Om te leren luisteren naar wat die je vertellen, en hoe je daarmee om moet gaan. Niet voor niets zei de auteur daarover in 1929: „Over Lady C.: Denk niet dat ik pleit voor voortdurende seks… Ik wil met Lady C. een verandering teweegbrengen in hoe we ons bewust zijn van de grondslagen van onze fysieke werkelijkheid.”

Misschien maakte de roman mijn grootvader daarom wel woedend. Om hoe een auteur die de oorlog níét van nabij had meegemaakt, opeens adviezen gaf over hoe je open moest staan voor het subtiele, het sensuele, terwijl je zelf nog maar half met je hoofd bij je lijf durfde te zijn. Machteloos las mijn opa over hoe anderen genoten van hun lichamelijkheid, en raakte er per pagina van doordrongen dat dat voor hem nooit meer zou zijn weggelegd. Met elk hoofdstuk wist hij sterker dat het voor hem te laat was, dat elke aanleg voor tederheid voorgoed was vernietigd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.