Private equity leent en koopt erop los

Fusies en overnames Durfinvesteerders trekken recordbedragen aan en betalen torenhoge prijzen voor overnames. Is dat zorgelijk?

Foto Istock

Dalende groeicijfers, wankelend consumentenvertrouwen, volatiele beurs. De economie draait op volle toeren, maar angst voor een naderende crisis sluimert. Behalve onder private-equityfinanciers. Die lenen, kopen en investeren als nooit tevoren.

Dinsdag publiceerde adviesbureau Bain & Company zijn jaarlijkse onderzoek naar de wereldwijde investeringen en prestaties van private-equitypartijen, ook wel durfinvesteerders genoemd. Dat zijn investeringsmaatschappijen die geld aantrekken van institutionele beleggers en banken en daarmee complete bedrijven of bedrijfsonderdelen kopen. Na een jaar of vijf à zeven verkopen ze die bezittingen weer door, als het goed is met flinke winst.

De sector beleeft gouden tijden, blijkt uit het rapport van Bain, dat spreekt van een bonanza. Ontmoedigd door de lage rente steken pensioenfondsen en verzekeraars massaal geld in private-equityfondsen, die al jaren mooie rendementen maken. Wereldwijd, maar óók in Nederland. Zo haalde Waterland uit Bussum in 2017 nog 2 miljard euro op bij beleggers, terwijl branchegenoot Gilde uit Utrecht volgens Het Financieele Dagblad op dit moment een fonds opzet ter waarde van ruim 1,5 miljard.

De belangstelling van beleggers is zo groot, dat private-equitypartijen steeds meer moeite hebben het aan hen toevertrouwde kapitaal te investeren. Bain becijferde dat durfinvesteerders in totaal nu zo'n 2.000 miljard dollar op de plank hebben liggenvoor overnames, dry powder in jargon. Een record.

Hoge overnamesommen

Wat betekent dat? „Door felle concurrentie [tussen private-equitypartijen] zijn overnamesommen tot recordhoogtes gestegen”, schrijft Bain. De cijfers onderschrijven dat. Private-equityfondsen betaalden vorig jaar gemiddeld meer dan 10 keer de brutowinst bij een overname, een situatie vergelijkbaar met de piek van de vorige bonanza ruim tien jaar geleden. En dat beeld is waarschijnlijk te voorzichtig, merkt het adviesbureau op. Want, stelt Bain: investeerders mogen die ratio berekenen op basis van verwachte winsten in plaats van actuele resultaten.

Het gevolg: terwijl het aantal deals door private equity in 2018 licht afnam, steeg het bedrag dat daarmee was gemoeid met 10 procent tot 582 miljard dollar. Een van de grootste overnames vond overigens plaats in Nederland, met de verkoop van AkzoNobels chemiedivisie aan het Amerikaanse Carlyle voor 10 miljard euro.

Hoge overnamesommen gelden als een risico voor beleggers. Immers, die moeten worden terugverdiend. Voor bedrijven is de leverage – de mate waarin een private-equitypartij een overname met geleend geld financiert – zeker zo interessant. Hoe meer schuld, hoe hoger de financieringslasten. En dat gaat knellen als de economie tegenzit en de winsten dalen, merkte een bedrijf als Van Gansewinkel (afval) na de kredietcrisis.

Jarenlang waren investeringsmaatschappijen en kredietverstrekkers daarom terughoudend met schuldfinanciering voor overnames. Maar een overvloed aan kapitaal door een lange periode van ruim monetair beleid en toegenomen risicobereidheid heeft daar een einde aan gemaakt. Zodanig zelfs dat de gemiddelde leverage weer op niveaus zit van vlak vóór de kredietcrisis. Ook verstrekken banken weer vaker zogenoemde covenant-lite-leningen aan private-equityfondsen, stelt Bain. Dat zijn leningen met uiterst losse voorwaarden, die schuldeisers nauwelijks bescherming bieden.

Hoe zorgelijk is dit alles? Volgens Arnoud Boot, hoogleraar economie aan de UvA, is „alles wat leidt tot overhaast gedrag” een reden tot zorg. Hij doelt op hoge overnamesommen én overmatige leverage die eigenaren dwingen tot ondoordachte maatregelen om hun investering veilig stellen, zoals opknipscenario’s of onverantwoorde reorganisaties. En de kans op excessen neemt toe zolang de rente laag blijft, stelt Boot.

Maar hij voegt eraan toe dat de opmars van private equity – door critici verguisd als ‘sprinkhanen’ of ‘roofridders’ – in veel gevallen positief is. Durfinvesteerders brengen doorgaans expertise en contacten en kiezen vaak voor een groeistrategie in plaats van snoeiwerk, aldus de econoom. „Er zijn altijd idioten, maar private-equitypartijen hebben er veelal veel voor over om van hun bedrijven een succes te maken.”

Correctie (27 februari 2019): In een eerdere versie van dit artikel werd private-equityfonds Waterland gesitueerd in Naarden. Dat moest zijn: Bussum. Dat is hierboven aangepast.