Prent

is visser en doet verslag vanaf de waterkant.

Deel 18: Een dwaalgastje

Met opgestroopte broekspijpen waad ik blootvoets tot ver voorbij de vloedlijn. Verrukkelijk koud zout tussen m’n tenen. Oppassen voor pietermannen. De vijf meter lange stok houd ik met beide armen stevig vast. Zover als ik kan, hel ik achterover, zet m’n voeten schrap in ’t zand, span m’n bovenlichaam, en zwaai met alle kracht naar voren. De slikzagers suizen als Scudraketjes door de lucht, plonzen midden in een mui, tussen twee zandbanken in. Ik loop terug, oppassen voor pietermannen, plant m’n hengel in de standaard, draai de lijn strak aan – en herhaal dit alles met de andere hengel, die ik tien meter verderop plaats. Ploffend in m’n klapstoeltje, wrijf ik de slaap uit m’n ogen, terwijl de eerste stralen van achter de horizon opdoemen. Ik kijk om mij heen, twee bakkeleiende zeekoeten, verder geen kip. Het Koninkrijk voor mij alleen.

Het tij komt dansend op, schelpjes en garnaaltjes stuiven door ’t water, hopelijk raakt de roofvis op drift. Rustig wacht ik af, de hengeltoppen nauwlettend in de gaten houdend.

Twee uur en zes worpen later ben ik nog even visloos als toen de wekker om 5 uur rinkelde. De krabbetjes vreten al m’n aas op. De wind snijdt in m’n oorlellen. Ik trek m’n muts dieper over ’t hoofd.

Anderhalf uur later zwiept ineens de top. Ik spring uit m’n stoel, ren erop af en draai ijlings de lijn naar binnen. Dit voelt zwaar, dit voelt goed. En ja hoor, dáár spartelt m’n eerste zilverbinkje; een jong, onstuimig zeebaarsje. Te vroeg voor ’t seizoen. Een dwaalgast. Ondermaats. Zal ik ’m meenemen? Ik twijfel.

Ik strijk m’n vingers over z’n zwierige stekels, druk ’n kus op z’n bovenlip en schenk ’m de vrijheid.

’s Middags, als de zon hoog staat, besluit ik de boel op te ruimen. Zwaar bepakt ploeter ik door het mulle zand terug naar de auto. Paar magere scharretjes, geen zeebaars. De wettelijke ‘bag limit’ voor zeebaars staat dit jaar op 1 stuks, althans, vanaf 1 april. Nu staat-ie nog op 0. Had ik het beestje meegenomen en was ik gesnapt, riskeerde ik ’n prent van duizend euro – u leest het goed: 1.000 euro.

Omdat het ’n dwaalgastje was, jong en gedesoriënteerd, z’n familie kwijtgeraakt, dáárom zette ik ’m terug – niet vanwege de prent: die zou ik aanvechten, als het moet tot het Hooggerechtshof. Waarom?

In supermarkten en op marktkramen wemelt het van de ondermaatse zeebaars. Huishoudens en restaurants dumpen jaarlijks 2 miljoen ton aan goed voedsel in afvalcontainers – dit mag allemaal ongestraft.

En ik, de eerlijke visser, de oppassende burger, die door weer en wind en voor dag en dauw met eigen handen z’n vismaal bijeen sprokkelt, ik krijg ’n vette prent aan m’n broek voor één visje.

Zolang deze waanzin bestaat, betaal ik geen prent.