De tas is steeds minder made in China

Chinese maakindrustrie De Chinese maakindustrie staat onder druk door de Amerikaanse heffingen. Bedrijfjes verkassen.

Foto: Garrie van Pinxteren

Mevrouw Chen valt op in haar roze colbertje. De 39-jarige moeder van drie kinderen staat op een groot plein in het centrum van Huadu, een wijk in de Zuid-Chinese miljoenenstad Guangzhou. Om haar heen een groep voornamelijk oudere, nogal onverzorgde mannen . Net als zij is Chen op zoek naar een baan in een van de vele grote en kleine tassenfabrieken die – nu nog – in de wijk verstopt zitten.

Het plein ligt vlak naast de enorme overdekte markt waar fabrikanten hun ritsen, stoffen, leer en gespen kopen. Er staan wat tentjes met blauwe daken langs de kant. Aan de buitenkant van een kantoorgebouwtje hangen grote vellen papier met daarop de banen die er bij fabrieken beschikbaar zijn.

Het plein functioneert letterlijk als een arbeidsmarkt: de fabrikanten komen er elke ochtend uitzoeken welke arbeiders ze voor die dag of die week in een busje willen meenemen om in hun fabriek te werken. Aanvankelijk lijkt het plein vrij leeg, maar al gauw verzamelen zich hele groepen rondom mevrouw Chen als ze met NRC spreekt. Die mensen hangen de hele dag een beetje rond in de buurt van het plein, ook als de banen voor die dag al zijn vergeven. Ze kunnen weinig anders heen.

Vandaag heeft ook mevrouw Chen geen geluk: veel bazen zijn nog niet terug na Chinees Nieuwjaar, en ze heeft nog niets gevonden.

Eigenlijk heeft ze er genoeg van; werken in tassenfabrieken. „Als mijn man niet zo’n drinkebroer was, dan stond ik hier nu niet”, legt ze uit. „Ik wil liever werken in de elektronica, niet in de tassen, maar dat wil mijn man niet.” Een baan in de elektronica betaalt al snel het dubbele van de ongeveer 320 euro die ze vorig jaar per maand in tassenfabrieken verdiende. „Maar je maakt er veel langere dagen, en dat vindt mijn man een punt. Hij wil kunnen roken en drinken wanneer hij daar zin in heeft. Ik kan dus niet weg uit deze wijk, en hier zitten alleen tassenfabrieken.”

Chinezen produceren tassen in een kleine fabriek. Reuters

Of ze makkelijk werk zou vinden in de elektronica, is de vraag. In de nabijgelegen stad Dongguan zei de burgemeester onlangs dat er in vijf jaar tijd 280.000 fabrieksbanen zijn verdwenen door de introductie van robots. Dat is een ontwikkeling die de Chinese overheid toejuicht, want China wil al veel langer af van vervuilende, arbeidsintensieve industrie met weinig toegevoegde waarde. De nieuwe Chinese rijkdom moet komen van hightech en van verdere ontwikkeling van de dienstensector.

Chen merkt aan alles dat het ook in de tassenfabrieken steeds moeilijker wordt: „Ze letten nu veel meer op de brandveiligheid en op allerlei milieueisen. Daardoor moesten er hier vorig jaar veel fabriekjes sluiten.” Zo dreigt zij net als de oudere mannen om haar heen tussen wal en schip te vallen. „Vorig jaar was het ook al moeilijk: in de maanden juli en augustus heb ik bijna niet kunnen werken.”

Goede kansen in Myanmar

In Huadu verdringen woonhuizen steeds meer de fabrieken en fabriekjes die tussen de huizen verstopt liggen. Sommige zijn zo klein dat ze gewoon in een huis zijn gevestigd.

BSK, de tassenfabriek van de Nederlandse Jeroen Herms en zijn Chinese vrouw Sophie Bi, is nog wel operationeel. De ingang van het terrein ligt bezaaid met rood papier van vuurwerk dat begin deze maand voor Chinees Nieuwjaar is afgestoken. De ruim honderd arbeiders zijn nog lang niet allemaal terug van hun vakantie bij hun familie.

De 38-jarige Herms leerde zijn vrouw in 2008 in China kennen. Samen begonnen ze de fabriek. Het grootste gedeelte van hun productie gaat naar de Verenigde Staten, een deel naar Nederland.

In deze fabriek worden vooral kleine orders gemaakt die snel geleverd moeten worden. Ook ontwikkelen ze er nieuwe tassen, rugzakken en koffertjes. De grote orders met een langere levertijd komen sinds oktober 2017 vooral uit buurland Myanmar, waar ze een fabriek hebben met ruim 600 werknemers. „We zagen goede kansen in Myanmar”, zegt Herms. „Er waren genoeg arbeiders te krijgen, en er zit nul procent heffing op de export naar Europa en de VS. ”

Inmiddels gaat het heel hard met de productie daar, en dat komt zeker ook door het beleid van de Amerikaanse president Donald Trump.

Op tassen uit China zat altijd al een heffing van 16 tot 18 procent, door de handelsoorlog is daar 10 procent bovenop gekomen. Als Trump doet waar hij mee dreigt, gaat die heffing per 2 maart omhoog van 10 naar 25 procent.

„Sinds we in Myanmar van start gingen, is onze omzet verdubbeld”, zegt Herms. „Onze klanten dringen er daarom echt op aan dat we meer in Myanmar gaan produceren.”

En dus openen Herms en zijn vrouw hun tweede tassenfabriek in Yangon, ditmaal met ruim achthonderd arbeiders. Als de heffingen er niet waren, dan zou het allemaal veel minder hard gaan. „Arbeid is daar inderdaad goedkoper, maar de arbeidsproductiviteit ligt er laag en de overhead is hoog. De materialen brengen we vanuit China naar Myanmar, dus dat geeft hoge transportkosten.”

Het leven in China is beter

Niet alleen BSK verplaatst veel van zijn productie naar Myanmar, ook volledig Chinese bedrijven zijn daar rond 2015 mee begonnen. Liu Luo levert industriële naaimachines aan bedrijven in de provincie Guangdong, ook aan BSK. Hij heeft al veel van zijn Chinese klanten naar Cambodja en Myanmar zien vertrekken. „Ik schat dat inmiddels zo’n 70 procent van mijn klanten daar zit.”

De verplaatsing van de productie naar heffingsvrije landen met lage lonen maakt van Chinezen een nieuwe groep expats. BSK-medewerker Xie Yuansen (45) heeft die ervaring: twee jaar lang leidde hij in Cambodja en Myanmar lokaal fabriekspersoneel op. Nu is hij terug in Guangzhou.

„Dat betaalt goed, maar het leven is er ook armoedig, je kunt er niet zo lekker eten als hier. Ik ben dan toch liever bij mijn familie in de buurt”, zegt hij als hij even opkijkt van zijn werk. Met een raamwerk controleert hij heel precies de zwart-witte patronen op roze stukken stof. Van die stof maken ze straks beneden in het atelier prototypes voor nieuwe tassen.

„Iedereen weet dat het leven in China veel beter is dan in andere landen.” Xie is een zeer ervaren vakman, maar hij is met niets begonnen. Hij herinnert zich nog goed hoe hij in 1991 als plattelandsjongen vanuit de Centraal-Chinese provincie Hunan naar de grote stad kwam. „We verdrongen ons bij de fabriekspoorten in de hoop op een baan”, zegt hij. „We waren met heel veel toen.”

Hij keek op tegen de Hongkongse ingenieurs die hem de druktechnieken kwamen leren. „Ik was stinkend jaloers op die mannen.” Ze hadden een goed salaris en ze maakten veel minder uren dan de gewone arbeiders. „Dan zag ik ze op donderdagavond weer in hun luxe auto’s de grens oversteken voor een lang weekend bij hun gezin”, zegt Xie. „Daar konden wij alleen maar van dromen.”

Door de vaardigheden die Xie in de loop der jaren heeft opgedaan hoeft hij zich waarschijnlijk geen zorgen te maken over zijn baan in China. Het wegtrekken van de eenvoudige maakindustrie treft vooral oudere, ongeschoolde arbeiders als mevrouw Chen.

Haar zorgen lijken voor de 25-jarige Li Xianghui heel ver weg. Hij vertrekt naar Myanmar, daar gaat hij het lokale personeel van BSK leren hoe je het computerprogramma bedient waarmee je patronen kunt tekenen voor nieuwe tassen. Een buitenkans, vindt hij. „Ik ben gewoon heel benieuwd hoe het in het buitenland is.”